Begin van de week was ik ineens verrast door mijn agenda die aangaf dat ik een verhaal moest delen in het team, onder het mom van (persoonlijke) ervaringen delen. Ik ging zoeken naar een verhaal en kwam bij eerdere blogs tegen. Een van die blogs was misschien wel een sleutelmoment in de motivatie om mezelf richting sociaal werk te ontwikkelen (Where to go). Toen dacht ik aan een mooi vrolijk lente-verhaal, omdat deze week de lente is begonnen. Maar zo’n verhaal had ik niet.
Wat ik wel heb is bijna drie maanden aan ervaring in een totaal andere omgeving met totaal ander werk met totaal andere mensen. Laat ik daar dan maar iets over vertellen.
Wat is me allemaal opgevallen in deze eerste drie maanden dat ik hier nu werk? Het tempo. Sowieso het tempo. Alles lijkt zoveel langzamer te gaan. De koffiegesprekjes, het opstarten, het theedrinken, of theeleuten, overleggen, bespreken, nabespreken, reflecteren. En dat allemaal vooral zonder zichtbare haast. Ja dat is me zeker opgevallen. Zelden hoor ik ‘even snel bellen, overleggen, regelen en door.’ Zo van tjak, tjak, tjak, en klaar.
Maar toch (of blijkbaar) is het nodig. We organiseren een buurtbakske en nemen prikkers mee om vuil te prikken als er niemand komt. We zijn een kwartiertje aan het prikken als er rustig aan een mevrouw komt kijken. Na vijf minuten komen er nog twee vrouwen bij. Misschien zaten die voor het raam te kijken en te wachten om niet de eerste te hoeven zijn. Daarna komt er nog een man bij staan, om toch nog even wat te zeggen over de parkeerplaatsen in de straat, en over de bomen, en ‘oh ja, ik heb eigenlijk nog wel een ding. De brandgangen achter onze huizen, daar ligt vaak vuil en eigenlijk zou dat voor de veiligheid schoon en goed begaanbaar moeten zijn.’ ‘Naast het parkeerprobleem, woont u hier fijn?’ ‘Oh ja, ik vind het heel fijn wonen hier. Al tien jaar. Alleen die bomen en die parkeerplaatsen.’ De vrouw in haar rolstoel vertelt over hoe ze in haar jongere jaren van een stalker afkwam. ‘Elke dag fietste ik naar mijn werk en onderweg raakte die man snel mijn hand aan. Maar ik liet me niet bang maken. Op een ochtend stopte ik een zware baksteen in mijn tas. En toen daar die man weer stond en me aanraakte pakte ik mijn tas uit mijn fietsmand en gaf hem toch een slinger joh. Ha! Sindsdien liep hij altijd aan de andere kant van de straat.’
Zouden we die dingen niet hebben gehoord als we ff snel dingen geregeld hadden willen hebben. Als we aan de deur met een checklist snel de klachten af zouden hebben gelopen. Nee, we waren er gewoon en we bleven, waarmee we hen de tijd gaven om (naar ons) te komen.
Elke dinsdag en donderdag is de wandelboswandeling. Als die groep er niet was hadden we deze mooie mensen nooit mogen leren kennen. Had ik ze nooit mogen leren kennen. Het effect op de deelnemers heeft het ook op mij. Ik was teruggetrokken, op de achtergrond en keek de katten uit de boom, uit elke boom in het wandelbos. En toen ik alle katten en eekhoorns en vogels wel had gezien, kwam ik steeds dichter in de groep. Elke keer liep ik naast iemand anders. We praten over het weer, over hobby’s, over politiek, boodschappen, familie en ziekenhuisbezoeken. En soms is alleen het wandelrondje niet genoeg. Zo liepen we na een koude, regenachtige wandeling naar het buurthuis, om met zijn vijven op te drogen met warme koffie en gezelligheid. Ontspannen gingen ze een voor een weer naar huis, op een moment die zij zelf kozen. We deelden meer en stelden vragen en stelden gerust. We voelden ons welkom. Ik voelde mij welkom.
Tegenstrijdigheden alom. Hoe sociaal kan een ingenieur zijn? Dat heb ik mezelf vaak afgevraagd. En eigenlijk vraag ik het mezelf nog steeds af. Maar naast het mezelf afvragen kan ik het nu ook ondervinden. Mijn fulltime ingenieursbaan is een tweedaagse invulling geworden om plek te creëren voor een driedaagse sociaal werk invulling.
Na een lange periode van oriënteren in de sociale sector, waarbij ik als vrijwilliger van totaal verschillende functies heb mogen proeven (taalondersteuner, bijlesleraar, buurtbemiddelaar, klassenassistent, ondersteuningsmedewerker (zie mijn vorige blogs)) koos ik voor een rol als projectingenieur bij een prachtig bedrijf (zytec.eu) waar we voorop lopen in de energietransitie. Deze rol, die ik nu met trots twee dagen per week vervul, sluit goed aan bij mijn groene idealen. Maar inderdaad… twee dagen. Het sociale bleef toch kriebelen en toen ik via mijn vrijwilligerswerk als buurtbemiddelaar de mogelijkheid van trainee buurtondersteuner tegenkwam kon ik daar onmogelijk nee tegen zeggen. Sinds begin dit jaar ben ik met veel enthousiasme begonnen als trainee buurtondersteuner bij Contourdetwern in Tilburg (contourdetwern.nl). En zo combineer ik nu twee schijnbaar uitersten als projectingenieur en sociaal werker.
Van kantoortuin naar buurthuis
Dingen veranderen. Een andere omgeving, zoals dat het schrijven van deze blog gebeurt in het centrum van een buurthuis, tussen sociaal werkers, vrijwilligers, buurtbewoners, oude mensen en jonge mensen; die gezellig koffie drinken, de krant lezen of leren lezen, of een goed gesprek hebben. Ik kan me niet herinneren ooit gedacht te hebben op zo’n locatie te werken. En het bevalt me eigenlijk prima.
Waar mijn directe werkomgeving eerder vooral beperkt was tot een kantoor en werkplaats is daar nu een buurthuis en een wijk van duizend woningen bijgekomen. En waar eerdere werkzaamheden vooral productiegericht waren is dat nu vooral relatie- en gemeenschapsgericht. En relaties zijn blijkbaar echt iets anders dan de productie van technische onderdelen.
Wat ik dan zoal doe kan ik nog niet samenvatten, omdat elke dag anders is. Zo ben ik deze dag begonnen met het bezorgen van honderd flyers voor ons volgende ‘buurtbakske’, om mensen uit de buurt samen te brengen en te ontmoeten. Na het flyeren liet ik mezelf toe om zomaar op een bankje in de wijk te gaan zitten… om maar gewoon even te kijken, te luisteren, en te observeren. Het is toch immers mijn werkomgeving, mijn ‘werkplaats’ die ik mag leren kennen. Wat gebeurt er allemaal? Er fietst iemand langs en iemand verlaat een huis. Een vriendin, een zus, of een hulpverlener? Verder is het stil op straat. Betekent dat dat de meeste mensen aan het werk zijn of juist stil binnen zitten. En als ze binnen zitten, zijn ze dan alleen of hebben ze een gezin met jonge kinderen, of zijn het gepensioneerden. Er staan wel auto’s op straat, dus vast niet iedereen is weg. Wat betekent het als de gordijnen dicht zijn? Dat ze last van de zon hebben misschien. Ik heb zelf in ieder geval geen last van de zon; ik vind het heerlijk zo in het zonnetje.
Dus dat gebeurt er allemaal als ik tien minuten ga ‘observeren’. Zoveel vragen. Het maakt me enthousiast. Ik kan niet wachten om verder op onderzoek te gaan.
Een verhaal dat ik heb geschreven als inzending voor een schrijfwedstrijd van Everafterprint (https://www.instagram.com/everafterprint/), met als onderwerp Lost Magic en een woordenlimiet van 3000. Zonder deze limiet was het verhaal misschien wel twee keer zo lang geworden.
Een hardwerkende schrijver. Altijd met ongelooflijk veel motivatie en plezier nachtenlang doorgehaald om verhalen te schrijven. Alles om die woorden te doorgronden. Om dat gevoel te pakken in woorden. Eindelijk die bestseller. Daarna nog een. En nog een. Elk volgend boek is en wordt een bestseller. De lol lijkt er ondertussen wel af te zijn. Hij heeft zijn droom bereikt.
Het is geen vraag meer of zijn volgende boek een bestseller wordt, maar het is de vraag wanneer zijn volgende besteller klaar is. Iedereen vraagt er naar. Elke dag krijgt hij vragen, mails, berichten, wordt hij op straat aangesproken. In elk gesprek gaat het nergens anders meer over dan over zijn, door iedereen verwachte, volgende boek. Maar zelf heeft hij er eigenlijk niet meer zoveel zin in. Vroeger was het nog leuk. Toen werkte hij hard. Naast zijn saaie kantoorbaan op de administratie werkte hij in de avonden en nachten aan zijn verhalen. Hij fantaseerde en schreef en zocht naar de emotie in de woorden die hij op papier zette. Maar op een gegeven moment, na die eerste paar succesvolle boeken, ging hij herhalen wat hij de keer daarvoor deed. Er kwam niks nieuws meer. Maar het maakte niemand iets uit. Niemand wilde iets nieuws van hem. Ze wilden gewoon dat hij doet wat hij altijd deed.
De avond valt in het kleine dorpje. De schrijver heeft net gegeten en zet zoals altijd een goede kop koffie. De veel te dure Italiaanse barista koffiemachine maalt de veel te dure Boliviaanse kwaliteitsbonen tot de perfecte maling voor het perfecte kopje koffie. Het kan hem eigenlijk geen zak schelen, zolang er maar koffie uitkomt. Zijn ex-vrouw vond dat hij een keer iets leuks met zijn geld moest doen. Terug van de uitgever in de stad liep hij langs zo’n hippe koffiezaak. Uit interesse, of was het verveling, liep hij naar binnen en zei tegen een gast met een baardje en een knotje dat hij van goede koffie hield. En die gast met dat baardje en knotje wist hem in vijf minuten over te halen om “de perfecte koffiemachine” te kopen. ‘Als u hem nu koopt krijgt u er deze zak heerlijke koffiebonen bij, ruik toch eens, en laten we hem morgen bij u thuis bezorgen en installeren door een echte koffie-expert.’ Zouden er ook neppe koffie-experts bestaan, bedenkt hij zich terwijl hij de zwarte vloeistof in zijn mok ziet stromen. Zijn Best-Dad mok, die hij meerdere jaren geleden voor Vaderdag had gekregen. Met zijn dampende koffie, en ook maar meteen twee blikjes bier voor erna, loopt hij naar zijn lege kantoor, waar hij zich de rest van de avond opsluit om te schrijven.
Hij gaat zitten, klapt zijn laptop open en begint direct verder te schrijven waar hij gisteravond was gebleven. Hij hoeft nog geen eens meer na te denken over waar hij in het verhaal was gebleven of hoe het verder zou kunnen gaan. Het gaat vanzelf. Hij schrijft bestsellers op de automatische piloot. ‘Papa, waarom schrijf jij?’ ‘Omdat ik daarvoor betaald krijg jongen. En anders kan jij geen nieuwe doos Lego krijgen voor je verjaardag.’ ‘Maar… wat als ik dan geen Lego vraag voor mijn verjaardag? Kom je dan met me spelen?’ …
Hij laat zijn handen van het toetsenbord glijden, leunt achterover in zijn stoel en staart recht vooruit. ‘Fuck! Waar de fuck ben ik mee bezig? Mijn vrouw is vijf jaar geleden vertrokken met onze zoon en dochter. Mijn kinderen zie ik één fucking weekend per maand. Het enige wat ik doe is schrijven en bier drinken. Ik moet weg hier.’
Hij staat op, klapt zijn laptop dicht, trekt een dikke jas aan en doet een muts op en een sjaal om. Voordat hij de deur uit gaat loopt hij nog langs de voorraadkast voor een sixpack. Hij sluit de deur, kijkt nog een laatste maal achterom en loopt de koude winternacht in. Nog voor het einde van de straat heeft hij zijn eerste blik lauw bier al leeggedronken. Het is maar een klein dorp en na een kwartier lopen is hij het laatste huis voorbij. Het is zo stil en donker dat niemand hem opgemerkt zal hebben. Aan de dorpsrand gaat hij op een bankje zitten. Uitkijkend op de uitgestrekte velden en weilanden drinkt hij zijn volgende blik leeg. De alcohol lijkt de cafeïne te overstemmen. Langzaam dommelt de schrijver weg.
Het is pikkedonker als hij rillend wakker wordt. Zijn lichaam is half ondergesneeuwd. Hij veegt de slaap uit zijn ogen als vanuit de verte een zacht licht opdoemt. Langzaam komt het licht dichterbij. Twee koplampen lijken het te zijn. Een vrachtwagen komt langzaam op het dorp afrijden. Bij de ingang van het dorp komt de vrachtwagen tot stilstand, vlak naast het bankje. De deur gaat open en een persoon met een lange zwarte jas stapt uit. ‘Hé, kan ik u helpen? Bent u verdwaald?’ roept de schrijver zonder van de bank omhoog te komen. De persoon met de lange jas stapt op de schrijver af. Een oude man met een dikke bruingrijze baard. ‘Dat kan ik beter aan jou vragen, meneer de schrijver.’ ‘Wat? Wie bent u? Hoe weet u wie ik ben? Waar komt u vandaan?’ ‘Je stelt teveel vragen jongen. Stap in!’ ‘Ik ben toch niet gek. Ik stap niet zomaar bij een oude gek in zijn vrachtwagen.’ ‘Jij bent hier de enige oude gek. Stop eens met denken man.’ ‘Nou, fuck it. Ik heb toch niks beters te doen. Ik hoop maar dat het warm is in die cabine van je.’ ‘Vergeet je je bier niet. Ik lust er ook wel eentje.’ De schrijver stapt twijfelachtig, of is het onverschillig, de cabine in. Gelukkig is het warm binnen. Nog voor de schrijver de deur dicht heeft kunnen doen gaat de vrachtwagen in zijn achteruit en draait om terug dezelfde weg op. ‘Waar gaan we heen?’ ‘Terug naar waar we vandaan kwamen.’ ‘Is dit een fucking grap of zo. Kun je niet een beetje duidelijker zijn ouwe gek.’ ‘Het is beter als je even rustig doet. Al je vragen zal je vanzelf kunnen beantwoorden. Geef me nu maar gewoon een pilsje en hou verder je mond dicht.’ Zelf neemt hij er ook nog maar een. Hij besluit om dan maar zijn mond te houden en een beetje rond te kijken. ‘Hij ziet er dan misschien uit als ouwe gek, echt gevaarlijk schat ik hem niet.’ denkt de schrijver. De alcohol, de warmte, en het langzame deinen van de vrachtwagen maakt slaperig. ‘Ik moet wakker blijven. Zien waar we heen gaan.’ is het laatste wat hij denkt voor hij in een onrustige slaap zakt. Hij droomt over zijn zoveelste succesvolle verhaal. Al succesvol voor het überhaupt af is. Hij ziet het kindje op het kleed in de grote woonkamer spelen. ‘Wanneer is papa klaar met werken?’ vraag hij aan zijn moeder. ‘Papa is nog even bezig jongen. Maak maar een mooi legokasteel om aan hem te laten zien.’ ‘Maar ik wil dat papa komt meespelen.’ ‘Papa komt zo lieverd.’ ‘Maar… Papa is nooit klaar met werken. Papa is nooit klaar met werken! PAPA IS NOOIT KLAAR MET WERKEN.’ schreeuwt het kind naar zijn moeder. Au, mijn schouder. ‘Hé! Hé schrijver! Wordt wakker man!’ ‘Jezus man. Waarom sla je tegen mijn schouder!’ ‘Tegen wie zat je te schreeuwen joh. Droomde je over de ouwe?’ lacht de chauffeur. ‘Doet er niet toe man. Het doet er toch niet meer toe.’
Buiten de vrachtwagen wordt het al lichter. Aan de horizon is het begin van een opkomende zon te zien. De chauffeur mindert snelheid en stopt bij een kleine benzinepomp. Het lijkt de enige plek van beschaving te zijn in de verre omtrek. ‘Ik ga even ontbijtje scoren. Jij kan ook vast wel wat gebruiken.’ ‘Lekker. En een sterke bak koffie zou ook erg welkom zijn.’ Het is lang geleden dat de schrijver de zon heeft zien opkomen. Niet zelden staat hij pas op als de zon hoog aan de hemel staat. Dromerig staart de schrijver rond en laat zijn blik over het uitgestrekte kale landschap glijden. In de verte vliegt een vogel. Van rechts naar links. Maar er is iets vreemds. De zwarte vogel lijkt achteruit te vliegen. De deur van de cabine gaat open en de chauffeur stapt in met een papieren zak en een karton met twee bekers koffie. ‘Wil je het even aanpakken?’ De schrijver pakt de koffie aan en kijkt terug naar buiten. De vogel is nergens meer te bekennen. ‘Je gelooft het nooit. Maar ik zag zojuist een vogel achteruit vliegen.’ ‘Haha, lag je nog te slapen zeker. Drink wat koffie.’ Langzaam rijden ze terug de weg op. De pompbediende zwaait hen na. ‘Wat is dit? Kun je me niet één ding uitleggen?’ ‘Haha, nou vooruit. Eén ding dan. Die vogel. Die achteruit vloog.’ ‘Ja? Wat is daarmee? Hoe kan dat?’ ‘We gaan toch terug naar waar we vandaan komen?’ ‘Wat? Ik snap er niks van? Doe niet zo cryptisch.’ ‘Denk eens na man. Jij bent toch zo’n fantastische schrijver. Met zoveel fantasie.’ ‘…’ ‘Bedoel je dat we achteruit gaan? Terug de tijd in?’ ‘Hmm, zoiets ja.’ ‘Maar… dat kan toch niet? Dat bestaat niet! Dit is een grap.’ ‘Eén vraag heb ik nu beantwoord. De rest komt later. Denk er maar niet te veel over na.’
De zon staat ondertussen al hoger aan de hemel als de vrachtwagen een dorpje binnen rijd. Een voor de schrijver erg bekend dorpje. De vrachtwagen is onderweg naar het ouderlijk huis van de schrijver. Het huis waar de schrijver is opgegroeid. In het dorp waar de schrijver naar school is geweest en vrienden heeft gemaakt. Het is de plek waar de schrijver heeft leren schrijven. De plek waar het grootste deel van alle inspiratie voor zijn boeken vandaan komt. De plek waar hij altijd met veel plezier aan terugdacht. ‘Waarom zijn we hier? Waarom breng je me hier naartoe? Ik wil hier helemaal niet zijn. Ik ben hier niet meer geweest sinds… sinds…’ ‘Sinds je je moeder voor het laatst heb gezien?’ ‘Ja. Maar dat is ruim negen, tien jaar geleden. Alles ziet er hetzelfde uit als toen. De straten. De huizen. Hé dat is de speeltuin waar ik vroeger altijd speelde. En daarnaast het gangetje waar we stiekem vuurwerk afstaken. En daar! Daar woonde mijn eerste vriendinnetje. En daar… dat is mijn huis… Dat is mijn huis. Er is niks veranderd.’ ‘Stap maar uit jongen. Ga maar kijken.’ De deur van het huis gaat open. Zijn moeder staat in de deuropening in een donkerblauwe jurk met gekleurde bloemen erop, en zoals altijd met een keukenschort voor. Altijd was, of is, ze in de keuken bezig. Als de kinderen thuiskwamen uit school rook het hele huis altijd heerlijk naar warme koekjes of vers gebakken appeltaart. ‘Mag ik?’ ‘Ga maar jongen. Over een paar dagen ben ik weer hier. Ik zal toeteren als ik er ben.’ De schrijver stapt uit en loopt naar het huis. Aan de straatkant blijft hij stilstaan. Hij kijkt rond, knijpt zijn ogen dicht en weer open. Ze staat er nog steeds. ‘Wat sta je daar te staan jongen. Kom je moeder een knuffel geven.’ De schrijver loopt naar zijn moeder die hem een stevige knuffel geeft. De geur van verse appeltaart komt door de deuropening naar buiten. ‘Mam? Ben jij echt?’ ‘Wat is dat voor gekke vraag jongen. Ik ben net zo echt als jij. Ik ben blij dat je eindelijk weer eens op bezoek komt bij je moeder. Het werd hoog tijd.’ Ze loopt hem voor naar binnen. Hij kijkt nog een keer om naar buiten. De vrachtwagen is nergens meer te bekennen. Alles in de straat ziet er zo ongelooflijk echt uit en precies zoals vroeger.
Binnen is alles nog net als toen. Hij gaat op de bank zitten, waarna zijn moeder aankomt met een dienblad met koffie, koekjes en warme appeltaart. ‘Nou, vertel eens jongen. Hoe gaat het met je? Hoe gaat het thuis, en met Lisa en de kinderen?’ ‘Mam, ik heb het verpest. Lisa is bij me weggegaan, samen met de kinderen. En ik deed er niks aan. Ik liet ze gewoon weggaan. Misschien was ik zelfs blij omdat ik dan tenminste weer ongestoord kon schrijven.’ ‘Ach jonge toch. Dat moet je niet zeggen. Jij moet gewoon even uitrusten. Je verzint vast wel iets.’ ‘Ik ben bang dat ik het voorgoed heb verpest mam. Ik ben geen goede man en vader geweest. Ik kan mezelf zelfs geen schrijver meer noemen.’ ‘Niks is voorgoed jongen. Geloof je moeder maar. Alles komt goed.’ ‘Mam, ik heb ontzettende hoofdpijn. En ik heb een heel vreemde nacht gehad mam. Je zult het niet geloven, maar ik zag een vogel achteruit vliegen.’ ‘Jij hebt altijd al de grootste fantasie gehad. Ik weet nog wel dat je ooit thuiskwam van school en vertelde dat de school een ruimteschip was. De directeur was stiekem een alien en de kapitein van het schip. Och en je vertelde dat zo overtuigend. Geen detail sloeg je over.’ ‘Maar mam. Het is echt waar. Ik zag die vogel…’ ‘Weet ik jongen. Ik geloof je toch. Je slaapkamer heb ik nooit veranderd. Ik heb toch ruimte genoeg hier in huis. Daar mag je wel weer slapen. Je ziet er vermoeid uit.’
Als de schrijver wakker wordt is het nog steeds licht. Of alweer. ‘Wow, wat een gekke droom was dat zeg. Ik heb honger.’ Hij komt overeind en kijkt rond, in wat zijn oude slaapkamer is. Aan de muren hangen posters, van Hemingway, Oscar Wilde en Einstein. Zijn favoriete schrijvers en favoriete wetenschapper. Einstein had zo’n grote fantasie dat hij zelfs de toekomst kon voorspellen. Hij staat op en loopt in de kleren waarin hij gisteravond in slaap was gevallen de trap af. Een heerlijke koffielucht komt hem tegemoet. ‘Dag lieverd. Je ziet er stukken beter uit dan gisteren. Ik heb koffie voor je gezet en ontbijt gemaakt. Pannenkoekjes, eieren, brood. Kijk maar waar je zin in hebt. Ik ga even bij Ria langs, ze heeft vorige week haar been gebroken. Nu kan ze helemaal niks meer. Alleen maar in bed liggen en op de bank zitten met haar gipsen been op een poef. Nou ja.. Ik zie je vanmiddag jongen.’ Hij geniet van het grote ontbijt. Hij eet alsof hij drie dagen niet behoorlijk heeft gegeten. Eigenlijk eet hij helemaal niet meer behoorlijk sinds Lisa weg is. Oh wat kon zij lekker koken. Hele avonden konden ze aan tafel zitten. Genieten van het eten, van goede wijn, van elkaars verhalen en van elkaar. Hij ruimt af en doet de afwas. Na de afwas loopt hij gedachteloos door het huis, door kamers vol herinneringen. Hij gaat de trap op. En nog een trap, naar de zolder. Op de oude zolder met stof van vroeger. Hij kijkt rond, opent dozen, bladert gedachteloos door fotoalbums. Achter stapels dozen en zakken met knuffels staat een bekende kist. Hij schrikt. Staart er verbluft naar. Hij laat een doos uit zijn handen vallen. Het geluid van een brekend kopje. Op zijn knieën kruipt hij voorzichtig naar de kist, alsof het verdwijnt of wegvliegt als hij te snel beweegt. Met trillende handen en tranen in zijn ogen tilt hij voorzichtig het deksel van de kist. Door zijn betraande ogen ziet hij zijn typemachine staan. De typemachine die hij van zijn ouders kreeg op zijn twaalfde verjaardag. Op deze typemachine had hij zijn eerste schrijfwedstrijd op de middelbare school gewonnen. Op deze typemachine heeft hij honderden uren getypt. Hij typte tot de blaren op zijn vingers stonden. Op deze typemachine vond hij de magie van het schrijven. Toen hij uit huis ging om te gaan studeren in de stad liet hij de typemachine thuis achter, vervangen voor een lichte laptop. Zijn ouders kwamen eens op visite met de kist in hun kofferbak. Vier uur hadden ze gereden om die typemachine te komen brengen. ‘Ik hoef dat oude ding niet meer.’ en stuurde zijn ouders verslagen terug naar huis. In een andere doos vindt hij een stapeltje papier voor in de typemachine. Voorzichtig schuift hij een vel tussen de rollen. Tik. Tik, tik, tik. De letters worden op het papier gedrukt. Alsof de tijd nooit voorbij is gegaan typt hij op zijn typemachine. ‘Dag 1.’ verschijnt bovenaan het blad. Enter. Over zijn moeder, zijn vrienden van vroeger, die hem altijd motiveerden om te schrijven en om al zijn verhalen te vertellen. Zijn vader, die hem meetrok naar elke bibliotheek. ‘Wil je een goede schrijver worden, dan moet je een nog betere lezer zijn. Leer van de besten jongen.’ Een traan valt op de toetsen. Vroeger schreef ik verhalen die ik daarna vertelde aan mijn vrienden.
‘… op de eerste date had Lisa niet zoveel interesse. Maar daarna bleef ik haar bestoken met handgeschreven liefdesverhalen. Ik schreef over onze toekomst samen: lange strandwandelingen met zonsondergangen, lange Italiaanse diners met onze favoriete wijnen, winterwandelingen door Parijs. De eerste brieven werden niet beantwoord. Na de tiende brief stuurde haar moeder een reactie dat ik ermee moest ophouden. Maar de aanhouder wint, en na de zoveelste brief kreeg ik eindelijk een brief van Lisa terug. Ze reageerde niet omdat ze dacht dat ik haar voor de gek zat te houden met al die overdreven cliché romantiek. Ik kon haar er gelukkig van overtuigen dat zij de enige was naar wie ik zulke brieven stuurde. Fuck, hoe heb ik haar ooit kunnen laten gaan. De liefde van mijn leven. Hoe heb ik me zo kunnen laten leiden door mensen die juist veel verder weg staan.’ Dagenlang zit de schrijver op zijn typemachine te tikken. En tussen het schrijven door praat hij met zijn moeder of lopen ze door het dorp, herinneringen ophalend, om die daarna weer op te schrijven. Eindelijk voelt hij weer wat hij schrijft. Eindelijk schrijft hij weer wat hij voelt. Net zoals vroeger, toen hij schreef omdat hij het zo ongelooflijk leuk vond. Toen hij hele dagen op het grasveld lag te dagdromen. Bij elke voorbijdrijvende wolk een nieuw verhaal verzonnen. Over ruimteschepen, luchtkastelen, draken, vliegende paarden en gorilla’s. ‘Het eerste wat ik doe als ik weer thuis ben, als ik ooit weer thuis kom, is mijn laptop de deur uitgooien. Ik ga weer schrijven omdat ik het leuk vind. Of nee, dat is het tweede dat ik ga doen. Het eerste wat ik ga doen is Lisa en de kinderen opzoeken.’
Met mama aan de ontbijttafel. We drinken koffie en eten verse appeltaart. We vertellen verhalen en praten zoals we in geen jaren meer hebben gedaan. We praten over van alles en nog wat als ik een zwaar gebrom hoor. En daarna een lange harde toeter. ‘Och jongen toch, moet je nu al weer weg. Beloof je dat je me snel weer eens komt opzoeken. En kom dan samen met Lisa en de kinderen.’ ‘Dag mam. Bedankt voor alles.’ We geven elkaar een knuffel waarbij ik hoop dat die nooit eindigt. ‘Hé ik heb niet de hele dag de tijd!’ Roept de chauffeur vanuit zijn cabine. ‘Dag mam.’ Ik stap de cabine in. Ik schrik als ik mama niet meer in de deuropening zie staan, maar ze komt terug aanrennen met een papieren zak en een thermoskan. Ze geeft het aan de chauffeur. ‘Voor onderweg. Koffie, broodjes en nog wat meer lekkers. Dag lieve jongens van me.’ Ze zwaait ons na tot we voorbij het einde van het dorp zijn. De zon is alweer bezig met zakken. Het valt me nu pas op dat de zon ondergaat waar hij de afgelopen week opkwam. ‘Laat me raden. We zijn nu onderweg terug naar waar we begonnen zijn?’ ‘Bijna goed jongen. We zijn onderweg naar waar we naartoe gaan.’
Waarom schrijf ik niet zo veel, was de eerste titel voor deze blog. Maar toen ik begon te schrijven bedacht ik me dat ik eigenlijk wel veel schrijf. Ik schrijf elke dag. Ik deel het alleen niet. Dus… waarom deel ik niet zo veel? Waarom duurt het zo lang voor er een nieuwe blog is? Ik heb erover nagedacht, samen met de volgende vragen die eraan vooraf gaan. Wat heb ik vorig jaar allemaal gedaan? En wat zijn de plannen voor komend jaar?
Een mogelijke reden waarom ik niks meer heb geüpload, geen blog meer heb geschreven sinds mijn laatste over Athene (Another Day in The City). Motivatie. Ik zat toen in een creatieve sfeer. Een sfeer die zichzelf versterkte door de continue aanwezigheid van inspiratie. De inspiratie lag voor mij op straat. Overal waar ik kwam werd ik op een of andere manier wel geïnspireerd. In een bepaalde zin was ik dus continu bezig met het schrijven van mijn verhaal. (De drie pijlers waren aanwezig: doel, motivatie, support.)
Thuis ben ik niet continu bezig met het maken van een verhaal. Integendeel. Het kost me zelfs moeite om mezelf te motiveren om te gaan schrijven. Net zoals het schilderen, het sporten, het solliciteren, het studeren. Maar ik ben me er wel van bewust. Ik weet alleen nog niet hoe ik die motivatie of die inspiratie die ik daar in Griekenland had, hier in huis (of ergens anders) kan recreëren. Ik ben op mezelf aan het onderzoeken wat de invloed is van motivatie, inspiratie, omgeving, support, en vast nog meer.
Wat heb ik vorig jaar gedaan?
Vorig jaar heb ik ontslag genomen!
Ik stopte met ruim twee jaar ingenieurservaring en een bore-out in mijn zak. Ik negeerde te lang mijn eigen behoeftes. Eigenlijk wist ik ook amper wat mijn behoeftes waren. Een jaar eerder was ik begonnen bij een loopbaancoach. (Hierover wellicht meer in een volgende blog). Als reactie daarop ben ik vorig jaar, en nu nog, druk bezig met het zoeken naar een nieuwe richting. Van mijn loopbaan. Van mijn leven.
Vorig jaar ben ik begonnen met vrijwilligerswerk; als taalcoach bij de bibliotheek hier in de buurt en later klassenassistent bij een NT2-klas. Sinds kort ben ik ook bezig met buurtbemiddeling. Ik ging op zoek naar grotere projecten bij ngo’s. Bekeek zoveel mogelijk organisaties, projecten en functies. Ik wilde nieuwe dingen ervaren. Ik wilde weg. Ik belde veel bedrijven; om te informeren naar opties, maar bovenal ook om te testen wat het met mij deed. Word ik enthousiast van het gesprek, van de verhalen? Ik had geen idee wat bij mij paste. Ik moest maar gewoon gaan proberen. Gewoon blijven bellen en berichten sturen. Elke keer dat ik mijn verhaal aanpaste vormde die zich steeds meer naar de persoon die ik zou kunnen zijn. Ik sprak met collega’s bij de inburgeringsorganisatie waar ik ook taalcoach was. “Vluchtelingenwerk, bijvoorbeeld op Lesbos.” opperde een collega. Een trigger was geraakt. Ik raakte enthousiast en het liet me niet meer los. Ik ging ermee naar bed en stond ermee op. Ik ging met organisaties bellen en de motivatie nam alleen maar toe. En zo kwam ik uiteindelijk op Lesbos terecht. Een ontzettend waardevolle ervaring. (Zie mijn andere blogs over mijn tijd op Lesbos, zoals Where to begin of Good kid, mad city.)
“Probeer het gewoon. Stoppen kan altijd nog.”
In deze zoektocht, die ik vanaf vorig jaar juni actief begon te maken, probeerde ik me zo min mogelijk verplichtingen op te leggen. Probeerde ik zo min mogelijk vast te houden aan gestelde doelen. Doelen mochten flexibel zijn. Iets lijkt me leuk, ik stel een doel, bijvoorbeeld elke dag een uur Frans leren, maar als ik na een tijdje merk dat mijn motivatie te veel zakt ga ik het onderzoeken. Vergeet ik andere behoeftes? Is Frans leren toch niet zo belangrijk als ik dacht? Ligt de lat te hoog of te laag? Heeft het niet het verwachte resultaat of de verwachte bevrediging?
Continu dwong ik mezelf om te luisteren naar mijn behoeftes en om gewoon dingen te proberen, (of niet als ik daar geen behoefte aan had). Ik ging tekenen of schilderen als ik daar zin in had. Ik wilde hiervan ook meer delen, dus begon ik een nieuwe Instagram (https://www.instagram.com/larstistic/). Als ik zin had om te lezen ging ik lezen, al was dat tot drie uur in de nacht. Ik probeerde te lezen wat ik wilde lezen en het stemmetje te negeren die riep “Het moet nuttig zijn wat je doet!”. Ik ging ook steeds meer schrijven en wilde dat delen (i.e. LifeOfLars).
Aan vrijwilligerswerk durfde ik ook te beginnen met de gedachte om maar gewoon te proberen wat me leuk lijkt. “Het is vrijwillig. Je kunt stoppen wanneer je wilt. Niemand kan je dwingen om te blijven.” was een van mijn argumenten.
Reflectie en vooruitblik
Eind 2021 was ik gaan reflecteren:
Het verraste me hoe leuk ik het vond om mensen te helpen met hun Nederlands of Engels, of om gewoon dingen uit te leggen.
Het verraste me hoe ongelooflijk mooi en waardevol het was om te helpen in het vluchtelingenkamp; om mensen te helpen.
Het verraste me hoeveel plezier ik had in het vertellen van verhalen.
Het verraste mij ook hoe weinig spijt ik ervan had om te stoppen met mijn baan als ingenieur.
En het verraste me dat ik me open kon stellen voor een persoon.
Begin 2022 heb ik nieuwe doelen gesteld:
(Nieuw) werk vinden.
Verhuizen. Een leuk plekje voor mezelf.
Schrijven. Ik wil heel graag mijn schrijfkwaliteiten ontwikkelen. Mijn eerste 30-dagen challenge (januari, dus eigenlijk een 31-dagen challenge) was om elke dag minimaal 100 woorden te schrijven. (Eind januari komt de terugkoppeling hierop.) Ik heb me ingeschreven voor een schrijfcursus. En ik wil meer blogs gaan schrijven, maar hier heb ik nog geen specifiek stappenplan voor gemaakt. Dus vandaar dat er nog geen periodieke blogupdates zijn.
Iets wat (in ieder geval mij) helpt is het stellen van duidelijke realistische doelen. Een te behalen doel met een te overzien plan. Kleine subdoelen die toewerken naar dat einddoel, op een einddatum. En bij voorkeur samen met iemand. Ik heb anderen nodig om gemotiveerd te blijven. Een stok achter de deur. Iemand die me vraagt hoe het ermee gaat en met wie ik kan sparren. Zoals het eerste doel van het jaar. 100 woorden per dag. 30 dagen lang. Een 30 dagen challenge die ik samen met mijn vriendin doe. Allebei de droom om een betere schrijver te worden. Het goede voornemen om meer te schrijven, omgezet in een doel en een plan. Ook de belofte aan mijn vriendin om een blog te uploaden heeft ervoor gezorgd dat ik deze blog ook daadwerkelijk heb geschreven.
Met deze lopende ontwikkelingen verwacht ik komend jaar meer blogs te gaan schrijven; meer te gaan delen. Ik hoor graag jullie gedachten of eigen ervaringen over deze uitdagingen. (PB mag ook.)
Ik loop rond op zoek naar een kapper, en er zijn er een aantal vlak bij elkaar. Door dezelfde straat loop ik een paar keer heen en weer met de twijfel of het te vertrouwen is. De kappers lijken allemaal bij elkaar te horen. Op een hoek leun ik wat tegen een pilaar, te kijken en te denken. ‘Hey friend, how you doing?’ Een Indisch/Pakistaans uitziende man in een zwarte trui. Onverzorgd stoppelbaardje. Geen onvriendelijk gezicht. Hij geeft een hand, maar blijft verder op een beschaafde afstand. ‘I’m good. Thanks. You too?’ ‘Where you from?’ ‘Holland’ ‘Ooh, Holland! Marihuana?’ ‘Haha, no thanks. I don’t smoke.’ ‘Smoke? Marihuana? Weed? You want?’ vraagt hij, steeds zachter pratend. ‘Haha, I don’t smoke. Not everyone smokes man.’ ‘Hm. Something else? Cocaine?’ Bijna fluisterend. Hij noemt nog meer van zijn merchandise, maar hij begint zo zacht te praten dat ik het niet allemaal versta. ‘Thanks man. But I’m good.’ ‘Smoke? Cocaine? Need anything?’ ‘No, I’m good. Thanks.’
Zelfde straat, andere hoek. Een jongeman loopt voor me langs onder de overkappingen. Hij stopt bij de laatste van een rij kleine vierkante stalen putdeksels. Hij kijkt snel rond, hurkt zich neer, tilt de putdeksel op, vouwt een blauwe plastic tas open en haalt er een klein plastic wit cilindervormig pakje uit. Nog sneller dan hij het deksel opende vouwt hij de zak terug, sluit het deksel en loopt weg. Hij steekt de straat over, geeft een halve knuffel aan een vrouw, gaat met zijn hand over haar schouder, waar haar hand ook lijkt te zijn, en loopt verder.
Best een actieve economie hier. Om er (op een meer legale manier) aan bij te dragen, stap ik binnen bij de vriendelijkst uitziende Pakistaanse kapper.
***
Op zoek naar een restaurant voor mijn laatste Griekse lunch, maar als je het nodig hebt kun je het niet vinden. Een hoop van die kaktentjes waar je waarschijnlijk tien euro betaald voor een bakje bonen. En heel veel tijd heb ik niet om ver te gaan zoeken – over een uur moet ik in de metro naar het vliegveld zitten. En zin ook niet. Het is warm vandaag. Ik loop langs een restaurantje op de hoek van de straat in de drukke en vieze Indische wijk. Ik twijfel, wil toch graag een beetje rustig zitten. Maar de honger en nieuwsgierigheid overwinnen. Aan een van de drie plastic tafeltjes neem ik plaats. En krijg er de beste souvlaki te eten die ik misschien ooit op heb. En by far het beste eten wat ik in Athene heb gekregen. Een op open vuur gegrilde souvlaki van kippenpootjes en -vleugels. Ik begin vol geluk te eten als hij er nog een bord (Griekse) salade en een groot stuk naanbrood bij zet.
In een drukke wijk, naast een drukke weg, maar het lawaai valt mee. De drukte lijkt in vlagen te komen. Een terras gevormd met kleine boompjes. Tegenover me komt een jonge vrouw met haar twee kleine kinderen en ik denk haar moeder of oudere zus zitten. De vrouw herken ik aan haar Mickey Mouse shirt. Ze stond achter een marktkraam op de groentemarkt vanochtend, vlak bij de kunstgalerie waar ik wilde gaan kijken maar die uiteindelijk helaas was gesloten. Die vrouw. Ze had een stem waarmee ze zonder microfoon zo een vol Olympisch stadion zou kunnen toespreken. Die groentemarkt is een dik halfuur lopen hiervandaan. Mensen kennen elkaar.
Het zit erop. Mijn met veel meer moeite ingepakte koffer voelt na een paar dagen Athene een stuk zwaarder. Na het wegen blijk ik drie kilo aan boeken bij elkaar te hebben gesprokkeld in deze culturele stad. Och, als we ervaringen zouden kunnen wegen…
Op het dakterras. In de instabiele ligstoel. Starend naar de sterren en de flikkerende lichtjes aan de Turkse kust. Mijn laatste after-shift-leftoversandbeer. Bij de shift waren maar drie van de vertalers. Het is raar om afscheid te nemen. Voor mijn gevoel begin ik ze net pas te leren kennen. Ik raak net gewend.
Het zijn gasten waartegen ik heel graag ‘tot later’ zou willen zeggen en ‘we spreken nog een keer af. Gaan we ergens een pilsje drinken.’
Ik wil het zeggen, maar kan het niet. Ik moet een professionele of rationele afstand bewaren. Hoezeer ik ook hoop dat ze allemaal naar een betere plek mogen gaan, ervanuit gaan kan niet. Hij keek door mijn Instagram heen. ‘You’ve been to many places man.’ Ik voelde me een beetje beschaamd en ongemakkelijk. Ik schaamde me voor mijn geluk. Ik kan naar plekken gaan. Ik kan doen en laten wat ik wil. Ik kan studeren, alles zeggen, alles schrijven, daten, werken, ontslag nemen, reizen. En als ik uitgespeeld ben kan ik weer terug naar huis gaan.
____________________
In chaos ontstaan ideeën. In rust ontstaat perspectief. Het vliegtuig. De trein. De boot. Mijn rustplek. Een plaats waar ik niet anders kan dan wachten. Mezelf overgeven aan het verloop van de reis.
Langzaam varen we op de donkere stad af. De stad slaapt nog half. De metropool. Athene. We komen aan met het ontwaken van de dag en van de stad.
Als over de Champs-Elysées of langs Unter den Linden loop ik de ogenschijnlijk oneindig lange rechte Poreos Street naar de Akropolis. Nog steeds met mijn blauwe koffer met nog steeds drie kleine klote zwenkwieltjes, die ik ondertussen wel heb geaccepteerd als mijn handicap. Het is niet dat ik te zuinig ben voor een taxi. Het is meer dat ik meer zie als ik loop. Ik ga langzamer, maar zie meer. Meer van hetzelfde, wat dan toch elk moment anders is. Elke honderd meter stop ik voor een foto of om iets op te schrijven, of om gewoon rond te kijken. Een taxi brengt me alleen naar de eindbestemming. Maar als ik daar dan aankom heb ik geen idee van waar ik ben.
Ik besloot om een paar dagen naar Athene te gaan om uit te rusten en na te denken over mijn ervaringen in Lesbos. Om te acclimatiseren naar mijn eigen gedachten, minder gefocust te zijn op werk, en om na te denken over wat ik ga doen als ik thuis kom. Hier had ik dus een verkeerde inschatting gemaakt. Aan de ene kant vind ik het geweldig om hier te zijn. Om gewoon een beetje rond te lopen. Te dwalen en te verdwalen in een enorme stad, alle indrukken opsnuivend als een verslaafde op een lijntje coke in een vies toilet. Honderdduizenden verschillende mensen. De culturen, de geuren, het eten, de drank. De Griekse restaurants, Indische straattentjes, Pakistaanse kapsalons en anarchistische boekwinkels.
Maar aan de andere kant… moet ik nu alle gedachten, indrukken (en nu ook die van Athene) thuis verwerken. Ik moet denken, schrijven, plannen, rusten, verhalen vertellen, en waarschijnlijk nog veel meer. Ik zou gestrest kunnen raken. Moet ik gestrest raken? Hm, what’s the use? We gaan genieten!
De volgende dag
Hmm, the salty smell of piss in the morning. The morning after. The waking up of the city. Ik word herinnerd aan mijn vrijdagochtendwandelingen naar de campus in Eindhoven, over Stratumseind. De geur van bier, pis, kots en gemiste feestjes.
Nou, ik ben wakker. Tijd voor wat archeologie. Het is toch Athene hè. Akropolis: een klein stadje bovenop een berg, en de plek waar democratie is ontstaan. Er hebben daar denk ik best wat slimme filosofen en politici gewoond. Of misschien moet je juist een goede filosoof zijn om een goede politicus te kunnen zijn. Ik heb niet alles onthouden wat ik op alle bordjes heb gelezen, en daarnaast is het vooral algemene geschiedenis die je ook zelf kunt opzoeken. Maar er was één leuk verhaal die ik wel even kort wil vertellen. Het verhaal over een ongelooflijk oude olijfboom die naast het Parthenon staat.
Het verhaal begint met de strijd tussen de godin Athena en de god Poseidon. Ze zijn aan het vechten voor de verovering van het grondgebied. Athena valt Poseidon aan met haar speer, maar mist. De speer doorboort een rots van waaruit later die heilige olijfboom groeit. Poseidon valt Athena terug aan met zijn drietand en mist ook. Waar de tanden de grond raken onstaat later een zoutwaterbron. Een van de volgende aanvallen is gelukkig succesvol voor Athena, anders had deze stad Poseidon geheten. Het is toch best mythisch en speciaal om zo’n mooie godin te hebben als de origine van jouw stad en gronden.
Ik sta aan. Ik ruik, zie en hoor alles, neem alles waar. Het felwitte silhouet van een langzaam bewegende wolk achter een compositie van halfhoge rechthoekige appartementsgebouwen. De verschillende conversaties aan alle tafels rondom mij. Een positief iets aan dat ze allemaal Grieks spreken is dat ik er niets van versta en er zodoende niet veel aandacht aan hoef te besteden. Toch zou ik wensen al die verschillende gesprekken te kunnen begrijpen. Dat koppel die meer lijkt op een stel vrienden. De continu veranderende groep mensen die vrienden van de gastvrouw zijn. Elke keer dat een nieuw persoon zich bij de groep voegt, gaat ze erbij zitten voor een shotje en een sigaret. Dan de drie oude mannen. Mr. handsome heeft de luidste stem en de looks van een hipster of een barbier; strak achterover gekamd grijs haar, een ponytail, een vuistlange baard en een omhoogkrullende snor. Er zit passie in zijn stem en gebaren. Waar zouden ze het over hebben? Waar discussiëren ze over? Over politiek, geschiedenis, of gewoon over voetbal?
Nieuwe klant. Een gast die eruit ziet als een Amerikaanse toerist met het gezicht als in een Dragonball-Z comic. Een groot kaal hoofd met een heel klein gezicht en kleine oren. Wit T-shirt, korte broek en een heuptasje over de schouder. Maar hij is geen typische toerist, als hij er überhaupt een is. Hij rookt en drinkt espresso om 19 45.
Ik zou moeten gaan. Ik moet nog eten, aangezien dat wat ik hier at slechts als aperitief gerekend kan worden. Een erg goed aperitief, dat wel. Tuinbonenmet gerookte makreel. Ik moet rusten en ik moet opwarmen. Mijn kleren zijn nog steeds nat van de regen van vandaag en het is kouder aan het worden. Ik moet rusten. Mijn lichaam en mijn geest. Ik ben te hoogsensitief voor deze shit.
Oh, en ik heb nog niet eens de geweldige graffiti genoemd. De straatKunst. De hele dag zou ik kunnen spenderen enkel met het kijken naar die prachtige muurschilderijen. Te veel te doen. Te veel te zien. Te veel te vertellen. Te veel… voor één blog.
Dit verhaal is voor alle mensen (en niet-mensen) die willen weten wat er precies allemaal is gebeurd met de roze fiets. Oh man, als die fiets kon praten…
Het begon allemaal op een warme maandagochtend. In de stad Mytilini was ik aan het zoeken naar een goede mountainbike. Celine had me uitgenodigd om twee dagen met haar mee te gaan op haar roadtrip. Voor Celine zou de roadtrip een week duren. Misschien maar goed dat het voor mij niet zo lang duurde. Maar ik had dus een goede bergfiets nodig. Mijn eerste voorkeur had geen fietsen te huur voor deze dagen. Mijn tweede optie was gesloten. Mijn derde optie…
Celine was al lang aan het wachten op me, enthousiast om te gaan. Zij besloot om de roadtrip op de all-famous roze fiets te beginnen. Waar ik koos, of mocht kiezen, voor de betere optie van een kleine groene mountainbike. ‘Als jij op die begint, dan kan ik daarop verder fietsen wanneer jij terug fietst op de roze fiets.’ Was Celine’s compromis. Ik ging akkoord en was al blij zat dat ik op de groene mountainbike mocht beginnen, welke helemaal niet zo’n slechte fiets was. ‘Daar kan ik best wel een paar dagen op fietsen.’ dacht ik. De uitdagingen van morgen zijn voor morgen.
Ik volgde Celine op een schitterende schilderachtige route langs de Egeïsche zee. Heuvelachtige wegen vergezeld door duizenden duizendjaar-oude olijfbomen, tientallen vijgenbomen, schapen, geiten, stranden, en distels. De aanwezigheid van die distels trok pas later onze aandacht.
Een prachtige omgeving, prachtige uitzichten, mooi weer – perfecte temperatuur: niet te warm, niet te koud – goede wegen (vooral heuvelafwaarts). Heuvelop waren de wegen van vergelijkbare kwaliteit, met als enige verschil: het ging omhoog. We namen vele pauzes op de toppen van de vele heuvels, waar over het algemeen de uitzichten ook beter zijn. En ik wachtte, omdat ik vaak sneller fietste dan Celine. Maar ja, betere fiets hè. Heuvelaf gingen we in een vergelijkbaar tempo. Op de top van een van die heuvels kwam ik meer te weten over de Griekse bermflora. Ik wachtte in de berm om veiligheidsredenen, ik onderzocht mijn banden – want dat is wat professionele fietsers doen – op steentjes en naalden. En in mijn voorband vond ik een heel grote naald. Ik kan nog steeds geen goede reden bedenken waarom die kleine schattige plantjes zulke grote heel-scherpe naalden nodig hebben. Als een gevonden geheime schat showde ik het trots aan Celine, die minder onder de indruk leek dan ik. Ik trok de naald eruit, en pssss… shit. Gelukkig ging Celine’s denkproces sneller dan die van mij, pakte ze de naald van de grond, en duwde hem terug in hetzelfde gat. De band was gefixt en er zat nog wel genoeg lucht in om mee te fietsen. In ieder geval in een rechte lijn. In de bochten zou ik wel voorzichtig moeten zijn. Problemen van morgen zijn voor morgen.
De volgende uitdaging was voor Celine. Hoewel, de uitdaging begon voor Celine, maar natuurlijk was het voor ons samen om mee te dealen. Celine begon geïrriteerd te raken door het kleine smalle racefiets zadel op de kleine roze fiets. Het zadel was te smal om comfortabel te zijn. Stel je maar een heel klein zadel tussen je benen voor. Nou, je snapt het idee. Elke korte pauze of wanneer Celine op gehoorafstand was, irriteerde ze mij met de smalle-zadelklachten. Dat is wat ik bedoel met samen met het probleem dealen.
Op een gegeven moment fietsten we heuvelaf langs een klein pittoresk strandje in een kleine baai. Zonder discussie gooide we onze fietsen tegen het hek en beloonden onszelf met een heerlijke duik en een lange rustpauze. ‘We moeten echt even uitrusten voordat we een goede vervolgplanning kunnen maken. We zijn te moe om gestructureerd te denken.’ Het restaurant bij het strandje was helaas dicht, maar de strandstoelen stonden er nog wel om gebruik van te maken, en de douche deed het ook nog. Wat een luxe. Op een Grieks gezin na was er verder niemand op dit strandje. Achteraf waren we dat Griekse gezin erg dankbaar, want de dochter gaf ons de tip van een heel goed restaurant in een inlands gelegen bergdorpje. ‘Het enige restaurant in de nabije omtrek die in deze tijd van het jaar nog open is.’ Zelfs de enige horecagelegenheid die open was. We vroegen haar voor overnachtingstips, want na onze verfrissende duik hadden we namelijk nog steeds geen of eigenlijk nog minder zin, om veel verder te gaan fietsen. De behulpzame dochter belde wat rond, naar haar oom met een b&b en nog wat andere hotels, maar helaas voor ons was alles gesloten. ‘Nou Celine, je wilde toch een avontuurlijke roadtrip? Heb je ooit op een strand geslapen?’ was een avontuurlijk idee dat me te binnen schoot. ‘Ja, wel ooit. Dat is wel gaaf, onder de sterrenhemel. Maar dat was in een tent met kampeerspullen, kampvuur en alles erop en eraan. We hebben niks bij ons, behalve de kleren die we aanhebben en zwemspullen.’ ‘Ach, hoe erg kan het zijn. Hier kunnen we uit de wind liggen. Onder een grote handdoek. Maar bovenal, onder de prachtige sterrenhemel! Wakker worden met een zonsopkomst over Turkije en de Egeïsche zee. We kunnen een ochtendduik nemen. En straks gaan we gewoon heerlijk ergens eten. Dan nemen we een grote fles ouzo mee en daarmee komen wij wel warm de nacht door hoor.’ ‘En zo koud zal het niet worden. Het gaat echt niet vriezen, dus doodgaan zullen we niet. Ik denk dat ik het wel overleef hoor… Gaaf! Doen we!’
We waren helemaal trots en enthousiast van ons geweldige plan. Na nog even in de warme zon gechild te hebben gingen we op de fiets de berg op, op zoek naar dat ene restaurantje. Onderweg stond er een lieve doch best hongerige ezel te vragen om wat aandacht en vooral wat eten. ‘Morgen wat eten voor hem meenemen.’ was Celine’s diervriendelijke plan. Ik maakte me vooral druk om de distels en naalden die ik in de berm zag liggen, waar we onbewust doorheen reden om voor die ezel te stoppen. Aan welke kant van het hek staat nu de ezel? Nou ja… zorgen voor morgen. Zolang we maar boven bij dat restaurant komen. Ik heb honger!
Dat nabije restaurant in dat kleine bergdorpje lag een stuk hoger op de berg dan we dachten. Of de berg was gewoon een stuk hoger dan we dachten. ‘Ik kan echt niet meer. Klote zadel! Klote berg!’ hoorde ik veelvuldig achter mij. We waren inderdaad al best weer een stuk aan het fietsen en er was nergens iets van een dorp te bekennen, of iets wat de aanwezigheid van een dorp aangaf. Ik stopte om een foto te maken van een groep wilde paarden in de prachtige avondzon, met een prachtige omgeving en achtergrond. Celine stopte naast me en besloot resoluut ‘ik ga echt niet meer fietsen. Ik ga liften!’ Duidelijk dat hier geen discussie meer mogelijk is, en zo staan we met onze duimpjes omhoog te wachten op een jeep of iets dergelijks dat ons de berg op kan vervoeren. Sneller dan verwacht komt er een alleraardigste Griek in een jeep aanrijden. Wel bergaf, maar het is het proberen waard. ‘Natuurlijk kan ik jullie wel even naar het dorp brengen. Gooi jullie fietsen maar in de laadbak.’ Celine was bijrijder, waar ik met de fietsen achterin de jeep ging liggen. Het schattige bergdorpje was uiteindelijk minder ver dan het leek, maar elke kilometer die we niet meer hoefden te fietsen was een cadeautje.
…
En daar was eindelijk dat restaurantje. We moesten wel even bevestigd krijgen dat het echt een restaurant was, want een klein terras met wat versleten stoelen en twee oude rokende Grieken geeft niet direct de indruk van een restaurant. Een alternatief was er niet, dus hoopvol namen we plaats op een krakend plastic stoeltje. En die hoop werd goed vervuld. De eigenaar begon direct te lopen. Drank kwam op tafel en bestellingen werden opgenomen. Hij sprak geen Engels, wij geen Grieks, dus geen idee wat we hadden besteld. Maar tot nog toe hadden we beiden op Lesbos nog niks echt slechts gegeten, op een slappe zoute pizza bij een Griekse Italiaan na, dus het zal vast wel goedkomen. Later schoof er nog een Griekse/Duitse familie en de familie van de eigenaar aan op het terras. Een Duits familielid kon ons toen uitleggen wat we precies aan het eten waren. En hij kon ons helpen om nog meer eten en drank te bestellen. We hadden het nodig. De eigenaar kwam met een grote bak met die ochtend vers gevangen vis aanzetten. We konden kiezen wat we wilden. Hij had ook inktvis aan de muur te drogen hangen. Geen idee wat voor vis we precies hadden uitgekozen, maar het was ongelooflijk lekker. Later bleek dat dit restaurant vooral heel bekend is door zijn uitstekende kreeft met spaghetti. Dus mocht je in de buurt zijn: Kreeft met spaghetti!
Ze begonnen met opruimen, maar wij hadden eigenlijk nog niet zo veel zin om weg te gaan. Het begon ondertussen een beetje koud te worden. Maar op een gegeven moment moesten we toch echt gaan. We rekenden af. De dochter van de eigenaar, ze sprak Engels, vroeg geïnteresseerd wat we aan het doen waren. ‘Een beetje rond het eiland fietsen.’ ‘En waar overnachten jullie dan?’ ‘Uh…’ hoe kan ik hier antwoord op geven. Een beetje beschaamd gaf ik toe dat we van plan waren om op het strand te gaan slapen. ‘Wat! Dat is hartstikke gevaarlijk. Het wordt veel te koud ‘s nachts. Hebben jullie een tent bij je?’ ‘Nee, niks eigenlijk. Het was een beetje een spontane ingeving.’ ‘Jullie zijn gek. Weet je wat. Ga zitten, dan bel ik even rond om te vragen of je ergens kunt slapen.’ Toch best wel opgelucht gaan we zitten, terwijl de dochter wat kennissen belt en de rest van de familie ons overduidelijk aan het uitlachen is.
‘Het zit zo. Alle hotels in de buurt zijn helaas gesloten. De dichtstbijzijnde is 20km verderop. Bij ons thuis is het te klein om te blijven slapen. Maar ik heb wel één ander gek idee. Ik kan jullie dekens en een kussen geven en dan kunnen jullie hier tegenover in het bushokje slapen.’ Bij het woord ‘deken’ was ik al verkocht. En het bushokje zag er ook niet geheel onaantrekkelijk uit. Dus ja, we waren enthousiast. Lachen! Ze hielp ons mee met karton op de grond leggen en de deken op de grond uitspreiden. Celine mocht kiezen en besloot, in mijn voordeel, om op de grond te gaan liggen. Ik schoof twee houten bankjes tegen elkaar aan en legde daar mijn warme deken op. Onze gastvrouw kwam nog flesjes water en een doosje met heerlijke Nutella flensjes brengen. Een relatief goede nachtrust gehad; het was heerlijk rustig, op een paar katten en muggen na, het was warm en de houten bankjes lagen ook niet slecht. Voor Celine was de nacht helaas minder comfortabel. De vloer was ongelooflijk hard en de katten waren blijkbaar niet gewend aan iemand die daar midden op de stoep lag. Celine’s nachtrust werd zo nu en dan dus verstoord door een kat op haar gezicht.
Volgende dag.
Heerlijk wakker worden in de frisse Griekse berglucht. En met de bevestiging dat we in een bushokje liggen. Er komen steeds meer kinderen aanlopen die zich recht voor onze slaapplek verzamelen, om dus te wachten op de bus. Ze staren naar ons alsof ze nog nooit iemand in een bushokje hebben zien slapen.
Back to reality. De fietsen. De ezel. De ezels. Twee fietsen, één lekke band, één semi-lekke band. ‘Goed zat om naar beneden te rollen joh. Gaan we eerst ff lekker zwemmen en zien we daarna wel verder.’ ‘Zolang jij die roze fiets maar pakt. Ik ben dat zadel helemaal zat.’ reageert Celine.
Och, er is toch niks lekkerder dan een heerlijk frisse ochtendduik in de kalme zee. ‘Oké, we zijn wakker. De fietsen.’ ‘Even bij dat huis iemand zoeken die misschien een goede fietspomp voor ons heeft.’ stelt Celine voor. Na een uur aankloten hebben we eindelijk wat lucht in de banden gekregen. ‘Ik geef jullie twee kilometer voordat die banden weer lek zijn.’ zegt die oude Griek tegen ons. Als ik het goed inschat is het ongeveer twee kilometer die berg op. En we kunnen best naar beneden rollen met een slappe band. Ventieldopje erop geschroefd en zo snel mogelijk de weg op. Hoe langer we wachten hoe meer lucht we kwijt raken. Bovenop de heuvel die voelt als een berg moeten we toch weer even uitrusten. Best vermoeiend om met een slappe band een steile berg op te fietsen. Er staat een klein Mariakapel langs de weg. ‘Misschien dat die ons beter kan helpen.’
Mijn duimpje heb ik al omhoog, maar de behulpzame Griek is vandaag schaarser. Dan maar naar beneden rollen met de duim omhoog. Met stilstaan komen we ook niet verder. So far so good. En die kleine roze fiets doet het ook best wel goed… zolang we naar beneden gaan, en zolang we niet te veel hoeven te sturen. Maar ja, natuur laat ons zien dat elke weg die naar beneden gaat ergens toch weer omhoog gaat. En daar stopt het functioneren van die fiets. We lopen met de fietsen aan de hand en onze duimpjes omhoog. Jeeps en vrachtwagens rijden langs. En dan stopt de wagen, die uiteindelijk het volst beladen is. Een bedrijfswagen vol met dozen met kolen. Maar hij wilt ons graag helpen. Met duwen en proppen krijgen we de fietsen in de laadbak. Zo, dat is gelukt. En nu wij nog. Zijn cabine staat vol gereedschap. ‘Naast kolenhandelaar ben ik ook elektricien.’ legt hij uit bij het zien van onze verbaasde blikken. Het wordt een beetje proppen. Celine kruipt tussen de stoelen op de handrem. Maar we hebben een lift! Onderweg nog even wat lossen bij een klein restaurantje aan zee. Daarna zet hij ons af bij de benzinepomp in het volgende stadje. De monteur/eigenaar/fietsenmaker van de benzinepomp wordt gebeld en deze wilt graag onze lekke banden plakken. Terwijl de beste man aan de gang gaat, gaan wij in het stadje koffie drinken. Terug bij de benzinepomp blijken drie banden te zijn geplakt. Ha, die derde was ons nog geen eens opgevallen. ‘Alle drie vol met scherpe naalden. Je moet echt niet te dicht tegen de kant van de weg fietsen.’ worden we onderwezen.
Vol goede moed fietsen we verder. Celine op de fijne groene mountainbike en ik op de kleine roze (kinder)mountainbike. Bergaf is het best goed fietsen eigenlijk. Alleen bergop is het vrij oncomfortabel met mijn knieën in mijn nek. Staand, met de fiets in een hoge versnelling krijg ik de bergen wel bedwongen. Helaas gaat de hoge belasting op het kleine kinderfietsje toch zijn tol eisen. Nu gaat de roze fiets mij irriteren door continu van versnelling te wisselen. Het wordt erger en erger tot het gewoon niet meer mogelijk is om verder te fietsen. Alle tandwielen zitten los en hangen scheef. Weer lopen dus… tot aan de volgende benzinepomp. Kijken of die ons kan helpen.
Hij is helaas geen monteur of wil dat niet zijn die dag, maar ik mag gelukkig wel van zijn kleine werkplaats gebruik maken. Fiets op zijn kop. Gereedschap zoeken en het wiel loshalen om te kijken wat nou precies het probleem is. Bij het loshalen van het wiel valt er een dozijn kleine kogeltjes uit, rond stuiterend over de gladde garagevloer. ‘Nou, dat lager functioneert niet meer.’ is mijn conclusie. ‘Weten we in ieder geval wat het probleem is.’ Na een hoop kloten en interessant lopen doen met een moersleutel en een bus wd40 – na drie dagen zat het smeer nog in de groeven van mijn handen en onder mijn nagels – begin ik toch wat chagrijnig te worden. Ik wil die tandwielen vastzetten en dan maar hopen dat ik er tot het volgende dorp mee kan komen. Morgen zal ik die fiets dan wel met de bus mee terug nemen. Een lager heb ik niet bij de hand, dus dan maar proberen om de tandwielen en het wiel te fixeren. Na wat rondneuzen vinden we een stel grote ringen die perfect om de wielmoer passen en strak tegen het tandwiel gezet kunnen worden. Twee ringen ertegenaan, een bak wd40 ertussen, en zie daar: een net glijzadel. Goh, ik zou wel ingenieur kunnen worden.
Vol goede moed fietsen we weer vrolijk verder. Het voelt best goed. Hoewel een beetje zwaar doet het glijzadel zijn werk. Ik kan er goed mee fietsen… voor een kilometer. Het achterwiel staat schuin tegen mijn frame. Ik kon het wiel niet volledig strak vastzetten, omdat het wiel dan dus vast staat en het glijzadel niet zou werken. Maar ja, een los wiel is ook niet goed. Nu begin ik me toch wel te ergeren aan die fiets. Ik ga rekenen. Wat is die klote fiets waard? Wat is het mij waard? Wat kost het om het terug te brengen? Ik besluit. Bij een klein industrieterrein hang ik die fiets aan zijn kettingslot aan het hek. Als het aan mij had gelegen had ik die fiets zo van de berg af gegooid, maar Celine is het daar niet mee eens. Ook niet met het achterlaten van die fiets trouwens. Dit lijkt mij een goed compromis.
Celine fietst verder naar het volgende dorp, waar we overnachten. Ik loop de laatste zes kilometer, wat ook positief is voor mijn gemoedstoestand. Prachtig dorp; staat omschreven als het meest pittoreske dorpje van Lesbos. Tegen de berg opgebouwd met vooral lavasteen als bouwmateriaal, en overal kleine straatjes.
De volgende dag.
De wekker gaat. Ik val direct weer in slaap. Ik word wakker. ‘Hm, shit… over tien minuten vertrekt mijn bus. En die kan ik echt niet missen, want ik heb een meeting om 12. Nou ja, dan maar geen koffie.’ Ik trek mijn kleren van de waslijn en poets snel mijn tanden. ‘Doei Celine! Was gezellig. Moeten we vaker doen.’ Schattig al die kleine straatjes, maar je verdwaalt er wel veel te makkelijk. Toch op tijd bij de bushalte. En alsnog die mooie zonsopkomst over de bergen van Turkije en de Egeïsche zee.
Yes I know. Kendrick Lamar’s tweede album. Een onbetwist meesterwerk. Niet alleen de titel, maar het hele album, geeft in een bepaald opzicht weer wat ik voelde na een erg mooi gesprek met een jongen die in de kliniek langskwam. De vader van de jongen werd geholpen en in die tijd werd ik vereerd met zijn aanwezigheid. We zaten naast elkaar; in stilte, in gesprek, in gedachten verzonken, en tekenend. Een goede jongen op een gekke plek. Een jongen met een droom.
Aan het begin van een warme zondagmiddag kwamen ze bij de post aan. De vader strompelend en zijn zoon er rustig naast lopend. De vader had erge rugklachten die uiteindelijk helaas niet goed verholpen konden worden. Hij werd lang onderzocht en in de tussentijd zat de jongen bij mij op de bank.
“How old are you?” “Ten!” En hij steekt tien vingers op. “And you?” “I am twenty-eight.” En ik steek 28 vingers op. Hoewel dat denk ik meer verward dan verduidelijkt. “Wow. Old!” “And what is your name?” “Aref!” “Aref. That is a beautiful name.” “And you?” “My name is Lars.” “Lllllas?” Haha, close. Larrrs. L. a. r. s. Lars.” “Lars!” “Yes! Perfect. It is nice to meet you Aref.” “Yes.” Lacht hij tevreden.
“Ik ben niet zo groot. Jij bent groot en sterk.” Hij pakt mijn arm vast en knijpt in mijn bovenarm terwijl ik die probeer aan te spannen. “Ik zou wat meer moeten trainen”, denk ik. “Bazoo!” “Bazooka?” “haha, nooo, baa.. zoo!” Spreekt hij langzaam uit. Ik probeer hem na te praten. “Ba zoo”. Hij lacht, maar lijkt het goed te keuren. Bazoo is Farsi voor arm.
“You speak very good English.” “Nooo. You better.” “Haha, but I have had more time to learn. I think you speak very good English.” “…”
“It’s a bit boring today. Not many patients. Guess it’s too warm.” “Yes.” “What do you do on Sunday?” “Hm. Monday school!” Morgen mag hij in Mitilini naar school. Vandaag is het zondag en is er niet veel te doen. Misschien is dit zijn enige uitje van de dag.
“What subject do you like most?” Hij kijkt me fronsend aan. “Gymnastics?” “Yes.” (Quasi-enthousiast) “Mathematics?”, “Meh.” (Geen engineer dus.) “English?” “Yeah.” Zegt hij al iets overtuigender. “Geography? Learning about the world and countries.” “Yeeah!”
“Germany! Germany is good. Afghanistan no good. Taliban no good.” “…” “Afghanistan taliban. Taliban no good. Terrorist.” “Yes, it is stupid. Fighting is not good.” “Taliban no good!” Hij kijkt boos, maar lacht daarna. We zijn het eens.
“What do you want to do in Germany?” “School for police.” “Do you want to join the police?” “Yes. No. Commando!” “Wow. But no soldier?” “No! Fighting bad. Taliban no good!” “Oké, oké. So commando at the police it is?” “Yes!”
We zitten een tijdje stil naast elkaar. Hij lijkt er geen enkel probleem mee te hebben om te moeten wachten. Maar kleuren heeft hij ook wel zin in. Terwijl hij kleurt ga ik zelf ook wat tekenen. Hij blijft kleuren en kleuren tot allebei de kantjes helemaal ingekleurd zijn. Ik zet mijn zonnebril af om zijn kleurplaat te bekijken. Hij kijkt me met grote ogen vol verbazing aan, en wijst naar mijn ogen. “Wooow. Blue!” “Yes, indeed. My eyes are blue. Your eyes are brown.”
“If your drawing is finished you have to put your name under it.” “Nooo.” “Haha, but then nobody can see you made it. And with your name on it you can sell it. Or give it to your dad. ” Hij denkt even na. En schrijft dan een A. “You.” en hij geeft me zijn potlood. “Aref. How do I spell your name?” “Aaaaaaaa ref”, “aaaaaa, and then ref” zegt hij nog nog keer. En daarna nog twee keer totdat ik zijn naam helemaal heb opgeschreven. Hij lacht. Zijn vader komt de ziekenpost uit, maar Aref heeft geen haast om weg te gaan. Hij helpt me met het opruimen van de potloden. “For you” en hij geeft me het doosje potloden. De tekening houd hij zelf en geeft hij later misschien aan zijn vader.
Noot: de naam van de jongen heb ik, met privacyredenen, aangepast naar Aref. Uit de grote lijst met Afghaanse namen koos ik Aref, wat wijs en intelligent betekent.
Gevangen op een eiland. Ik zit hier op het dak te staren naar een lange rij lichtjes, aan de andere kant van het water. Turkije is waar ik naar zit te staren. Het ligt op zo’n “Ik pak een kano en ik roei er ff heen voor een lunch aan de Turkse riviera en weer terug voor het avondeten” afstand.
Wat had ik verwacht? Chaos? Een grote teringbende, met vieze stinkende slootjes, een allesoverheersende spanning, bedreigingen, afgesloten groepjes. Van die dingen die je in de favelas in films ziet. Maar het was anders. Het was over het algemeen redelijk schoon. Het was rustig. Erg rustig. En kalm. Kinderen spelen en fietsen druk heen en weer over de stoffige grindpaden. Een man laat zich onder die ene zeldzame boom knippen. De kapper roept of ik ook geknipt wil worden. “Het is nodig!” roept hij me lachend na.
Het voelde erg onwerkelijk. Als het begin van zo’n typische westernfilm. Een stoffig dorpje, in de stilte klinkt enkel het piepen van een stalen uithangbord. Dan klinkt ver weg het doffe geklop van een stel paardenhoeven op zachte grond. Maar niet agressief. Gewoon heel rustig. Er gebeurt niks, maar misschien gaat er wel iets gebeuren. Of niets.
Ook moest ik denken aan limbo. Die locatie waar je moet wachten om naar de hemel te mogen. Je leeft niet meer, maar bent ook nog niet echt dood. Je staat op het treinstation te wachten op die ene trein. Maar wanneer en of die trein komt weet niemand. Met de allergrootste moeite ben je op dat treinstation aangekomen, hopende op een trein waarop je mee mag gaan. Limbo, als in de film Inception. Echt een goede film, die je minstens twee keer moet hebben gezien. Hoewel moeten… Ik raad het je aan. Zo’n film waarbij ik de eerste keer nodig heb om het verhaal en de beelden te volgen, om de tweede keer pas te begrijpen waar het überhaupt over gaat. De zelfgecreëerde doch gevreesde droomwereld. Ik wil er heen, maar wil er niet blijven. Van buiten lijkt het mooier en feller ingekleurd. Daar is blauw wat hier grijs is. Maar van binnen is die blauw helemaal niet meer zo blauw, maar zelfs eerder een beetje grijs. En na een tijdje is het er net zo grijs als buiten.
Verdwaal je in die wereld dan zit je vast. Je zit vast in die gecreëerde onechte wereld. Je leeft niet, maar bent ook zeker niet overleden. Terug kun je niet. Je kunt slechts wachten en wachten om verder te mogen. Wachten en wachten op die trein die ooit of nooit komt.
De eerste week op Lesbos, met daarin mijn eerste kennismaking met het kamp, de mensen en onze missie. Ja, ik zeg “onze” missie, want ook al zit ik hier net een week en is de missie van stichting Bootvluchteling (ook wel BRF, Boat Refugee Foundation) al sinds 2015 bezig, ik voel me er onderdeel van. Hoe marginaal mijn aandeel ook mag zijn.
De eerste week. De tijd vliegt. Ik wil bloggen en vertellen wat ik er allemaal van vind en hoe het allemaal precies werkt; van het kamp en de vluchtelingen die daar verblijven. Maar dat is op dit moment nog te moeilijk. Ik kan hoogstens een eerste indruk geven. Het begrijpen doe ik nog lang niet.
Om te beginnen kan ik wel gewoon vertellen over wat ik tot nu toe heb gedaan. Wat doe ik als support crew vrijwillig bij Stichting Bootvluchteling, ook wel BRF genaamd (Boat Refugee Foundation).
Tijdens de openingstijden van onze hulppost ben ik verantwoordelijk voor de entree. Ik laat de patiënten binnen, doe de eerste check, wel/geen covidsymptomen, is er een hoge of lage prioriteit, en welke tolk hebben we nodig. Op dit moment is dat niet zo moeilijk omdat de meeste patiënten Farsi spreken. Ik sta dan voor het gemak bijna altijd samen met een Farsi sprekende tolk. Deze tolken werken vaak al voor lange tijd voor BRF en wonen op of vlakbij het kamp.
Al voordat ik op lesbos aanwezig was was het al rondgegaan dat ik, naast de andere support crew vrijwilliger, ook ingenieur ben. En aangezien de meeste teamleden medici zijn was een (enigszins handige) ingenieur erg welkom. We zijn bezig geweest met het bouwen van een aantal bankjes voor in onze post op het kamp, en met het repareren van het hekwerk rond de post. De buitenkant en de entree van onze post zien er nu weer een stuk netter en vriendelijker uit. En hopelijk kan ik daar als “poortwachter” aan bijdragen.