Begin van de week was ik ineens verrast door mijn agenda die aangaf dat ik een verhaal moest delen in het team, onder het mom van (persoonlijke) ervaringen delen. Ik ging zoeken naar een verhaal en kwam bij eerdere blogs tegen. Een van die blogs was misschien wel een sleutelmoment in de motivatie om mezelf richting sociaal werk te ontwikkelen (Where to go). Toen dacht ik aan een mooi vrolijk lente-verhaal, omdat deze week de lente is begonnen. Maar zo’n verhaal had ik niet.
Wat ik wel heb is bijna drie maanden aan ervaring in een totaal andere omgeving met totaal ander werk met totaal andere mensen. Laat ik daar dan maar iets over vertellen.
Wat is me allemaal opgevallen in deze eerste drie maanden dat ik hier nu werk? Het tempo. Sowieso het tempo. Alles lijkt zoveel langzamer te gaan. De koffiegesprekjes, het opstarten, het theedrinken, of theeleuten, overleggen, bespreken, nabespreken, reflecteren. En dat allemaal vooral zonder zichtbare haast. Ja dat is me zeker opgevallen. Zelden hoor ik ‘even snel bellen, overleggen, regelen en door.’ Zo van tjak, tjak, tjak, en klaar.
Maar toch (of blijkbaar) is het nodig. We organiseren een buurtbakske en nemen prikkers mee om vuil te prikken als er niemand komt. We zijn een kwartiertje aan het prikken als er rustig aan een mevrouw komt kijken. Na vijf minuten komen er nog twee vrouwen bij. Misschien zaten die voor het raam te kijken en te wachten om niet de eerste te hoeven zijn. Daarna komt er nog een man bij staan, om toch nog even wat te zeggen over de parkeerplaatsen in de straat, en over de bomen, en ‘oh ja, ik heb eigenlijk nog wel een ding. De brandgangen achter onze huizen, daar ligt vaak vuil en eigenlijk zou dat voor de veiligheid schoon en goed begaanbaar moeten zijn.’
‘Naast het parkeerprobleem, woont u hier fijn?’
‘Oh ja, ik vind het heel fijn wonen hier. Al tien jaar. Alleen die bomen en die parkeerplaatsen.’
De vrouw in haar rolstoel vertelt over hoe ze in haar jongere jaren van een stalker afkwam. ‘Elke dag fietste ik naar mijn werk en onderweg raakte die man snel mijn hand aan. Maar ik liet me niet bang maken. Op een ochtend stopte ik een zware baksteen in mijn tas. En toen daar die man weer stond en me aanraakte pakte ik mijn tas uit mijn fietsmand en gaf hem toch een slinger joh. Ha! Sindsdien liep hij altijd aan de andere kant van de straat.’
Zouden we die dingen niet hebben gehoord als we ff snel dingen geregeld hadden willen hebben. Als we aan de deur met een checklist snel de klachten af zouden hebben gelopen. Nee, we waren er gewoon en we bleven, waarmee we hen de tijd gaven om (naar ons) te komen.
Elke dinsdag en donderdag is de wandelboswandeling. Als die groep er niet was hadden we deze mooie mensen nooit mogen leren kennen. Had ik ze nooit mogen leren kennen. Het effect op de deelnemers heeft het ook op mij. Ik was teruggetrokken, op de achtergrond en keek de katten uit de boom, uit elke boom in het wandelbos. En toen ik alle katten en eekhoorns en vogels wel had gezien, kwam ik steeds dichter in de groep. Elke keer liep ik naast iemand anders. We praten over het weer, over hobby’s, over politiek, boodschappen, familie en ziekenhuisbezoeken. En soms is alleen het wandelrondje niet genoeg. Zo liepen we na een koude, regenachtige wandeling naar het buurthuis, om met zijn vijven op te drogen met warme koffie en gezelligheid. Ontspannen gingen ze een voor een weer naar huis, op een moment die zij zelf kozen. We deelden meer en stelden vragen en stelden gerust. We voelden ons welkom. Ik voelde mij welkom.