De volgende dag
Vijf euro voor de Pakistaanse kapper.
Ik loop rond op zoek naar een kapper, en er zijn er een aantal vlak bij elkaar. Door dezelfde straat loop ik een paar keer heen en weer met de twijfel of het te vertrouwen is. De kappers lijken allemaal bij elkaar te horen. Op een hoek leun ik wat tegen een pilaar, te kijken en te denken.
‘Hey friend, how you doing?’ Een Indisch/Pakistaans uitziende man in een zwarte trui. Onverzorgd stoppelbaardje. Geen onvriendelijk gezicht. Hij geeft een hand, maar blijft verder op een beschaafde afstand.
‘I’m good. Thanks. You too?’
‘Where you from?’
‘Holland’
‘Ooh, Holland! Marihuana?’
‘Haha, no thanks. I don’t smoke.’
‘Smoke? Marihuana? Weed? You want?’ vraagt hij, steeds zachter pratend.
‘Haha, I don’t smoke. Not everyone smokes man.’
‘Hm. Something else? Cocaine?’ Bijna fluisterend. Hij noemt nog meer van zijn merchandise, maar hij begint zo zacht te praten dat ik het niet allemaal versta.
‘Thanks man. But I’m good.’
‘Smoke? Cocaine? Need anything?’
‘No, I’m good. Thanks.’
Zelfde straat, andere hoek. Een jongeman loopt voor me langs onder de overkappingen. Hij stopt bij de laatste van een rij kleine vierkante stalen putdeksels. Hij kijkt snel rond, hurkt zich neer, tilt de putdeksel op, vouwt een blauwe plastic tas open en haalt er een klein plastic wit cilindervormig pakje uit. Nog sneller dan hij het deksel opende vouwt hij de zak terug, sluit het deksel en loopt weg. Hij steekt de straat over, geeft een halve knuffel aan een vrouw, gaat met zijn hand over haar schouder, waar haar hand ook lijkt te zijn, en loopt verder.
Best een actieve economie hier. Om er (op een meer legale manier) aan bij te dragen, stap ik binnen bij de vriendelijkst uitziende Pakistaanse kapper.
***
Op zoek naar een restaurant voor mijn laatste Griekse lunch, maar als je het nodig hebt kun je het niet vinden. Een hoop van die kaktentjes waar je waarschijnlijk tien euro betaald voor een bakje bonen. En heel veel tijd heb ik niet om ver te gaan zoeken – over een uur moet ik in de metro naar het vliegveld zitten. En zin ook niet. Het is warm vandaag. Ik loop langs een restaurantje op de hoek van de straat in de drukke en vieze Indische wijk. Ik twijfel, wil toch graag een beetje rustig zitten. Maar de honger en nieuwsgierigheid overwinnen. Aan een van de drie plastic tafeltjes neem ik plaats. En krijg er de beste souvlaki te eten die ik misschien ooit op heb. En by far het beste eten wat ik in Athene heb gekregen. Een op open vuur gegrilde souvlaki van kippenpootjes en -vleugels. Ik begin vol geluk te eten als hij er nog een bord (Griekse) salade en een groot stuk naanbrood bij zet.
In een drukke wijk, naast een drukke weg, maar het lawaai valt mee. De drukte lijkt in vlagen te komen. Een terras gevormd met kleine boompjes. Tegenover me komt een jonge vrouw met haar twee kleine kinderen en ik denk haar moeder of oudere zus zitten. De vrouw herken ik aan haar Mickey Mouse shirt. Ze stond achter een marktkraam op de groentemarkt vanochtend, vlak bij de kunstgalerie waar ik wilde gaan kijken maar die uiteindelijk helaas was gesloten. Die vrouw. Ze had een stem waarmee ze zonder microfoon zo een vol Olympisch stadion zou kunnen toespreken. Die groentemarkt is een dik halfuur lopen hiervandaan. Mensen kennen elkaar.
Het zit erop. Mijn met veel meer moeite ingepakte koffer voelt na een paar dagen Athene een stuk zwaarder. Na het wegen blijk ik drie kilo aan boeken bij elkaar te hebben gesprokkeld in deze culturele stad. Och, als we ervaringen zouden kunnen wegen…

