Lost Magic

Een verhaal dat ik heb geschreven als inzending voor een schrijfwedstrijd van Everafterprint (https://www.instagram.com/everafterprint/), met als onderwerp Lost Magic en een woordenlimiet van 3000. Zonder deze limiet was het verhaal misschien wel twee keer zo lang geworden.


Een hardwerkende schrijver. Altijd met ongelooflijk veel motivatie en plezier nachtenlang doorgehaald om verhalen te schrijven. Alles om die woorden te doorgronden. Om dat gevoel te pakken in woorden. Eindelijk die bestseller. Daarna nog een. En nog een. Elk volgend boek is en wordt een bestseller. De lol lijkt er ondertussen wel af te zijn. Hij heeft zijn droom bereikt.


Het is geen vraag meer of zijn volgende boek een bestseller wordt, maar het is de vraag wanneer zijn volgende besteller klaar is. Iedereen vraagt er naar. Elke dag krijgt hij vragen, mails, berichten, wordt hij op straat aangesproken. In elk gesprek gaat het nergens anders meer over dan over zijn, door iedereen verwachte, volgende boek. Maar zelf heeft hij er eigenlijk niet meer zoveel zin in. Vroeger was het nog leuk. Toen werkte hij hard. Naast zijn saaie kantoorbaan op de administratie werkte hij in de avonden en nachten aan zijn verhalen. Hij fantaseerde en schreef en zocht naar de emotie in de woorden die hij op papier zette. Maar op een gegeven moment, na die eerste paar succesvolle boeken, ging hij herhalen wat hij de keer daarvoor deed. Er kwam niks nieuws meer. Maar het maakte niemand iets uit. Niemand wilde iets nieuws van hem. Ze wilden gewoon dat hij doet wat hij altijd deed.

De avond valt in het kleine dorpje. De schrijver heeft net gegeten en zet zoals altijd een goede kop koffie. De veel te dure Italiaanse barista koffiemachine maalt de veel te dure Boliviaanse kwaliteitsbonen tot de perfecte maling voor het perfecte kopje koffie. Het kan hem eigenlijk geen zak schelen, zolang er maar koffie uitkomt. Zijn ex-vrouw vond dat hij een keer iets leuks met zijn geld moest doen. Terug van de uitgever in de stad liep hij langs zo’n hippe koffiezaak. Uit interesse, of was het verveling, liep hij naar binnen en zei tegen een gast met een baardje en een knotje dat hij van goede koffie hield. En die gast met dat baardje en knotje wist hem in vijf minuten over te halen om “de perfecte koffiemachine” te kopen. ‘Als u hem nu koopt krijgt u er deze zak heerlijke koffiebonen bij, ruik toch eens, en laten we hem morgen bij u thuis bezorgen en installeren door een echte koffie-expert.’ Zouden er ook neppe koffie-experts bestaan, bedenkt hij zich terwijl hij de zwarte vloeistof in zijn mok ziet stromen. Zijn Best-Dad mok, die hij meerdere jaren geleden voor Vaderdag had gekregen. Met zijn dampende koffie, en ook maar meteen twee blikjes bier voor erna, loopt hij naar zijn lege kantoor, waar hij zich de rest van de avond opsluit om te schrijven.

Hij gaat zitten, klapt zijn laptop open en begint direct verder te schrijven waar hij gisteravond was gebleven. Hij hoeft nog geen eens meer na te denken over waar hij in het verhaal was gebleven of hoe het verder zou kunnen gaan. Het gaat vanzelf. Hij schrijft bestsellers op de automatische piloot.
‘Papa, waarom schrijf jij?’
‘Omdat ik daarvoor betaald krijg jongen. En anders kan jij geen nieuwe doos Lego krijgen voor je verjaardag.’
‘Maar… wat als ik dan geen Lego vraag voor mijn verjaardag? Kom je dan met me spelen?’

Hij laat zijn handen van het toetsenbord glijden, leunt achterover in zijn stoel en staart recht vooruit.
‘Fuck! Waar de fuck ben ik mee bezig? Mijn vrouw is vijf jaar geleden vertrokken met onze zoon en dochter. Mijn kinderen zie ik één fucking weekend per maand. Het enige wat ik doe is schrijven en bier drinken. Ik moet weg hier.’

Hij staat op, klapt zijn laptop dicht, trekt een dikke jas aan en doet een muts op en een sjaal om. Voordat hij de deur uit gaat loopt hij nog langs de voorraadkast voor een sixpack. Hij sluit de deur, kijkt nog een laatste maal achterom en loopt de koude winternacht in. Nog voor het einde van de straat heeft hij zijn eerste blik lauw bier al leeggedronken. Het is maar een klein dorp en na een kwartier lopen is hij het laatste huis voorbij. Het is zo stil en donker dat niemand hem opgemerkt zal hebben. Aan de dorpsrand gaat hij op een bankje zitten. Uitkijkend op de uitgestrekte velden en weilanden drinkt hij zijn volgende blik leeg. De alcohol lijkt de cafeïne te overstemmen. Langzaam dommelt de schrijver weg.

Het is pikkedonker als hij rillend wakker wordt. Zijn lichaam is half ondergesneeuwd. Hij veegt de slaap uit zijn ogen als vanuit de verte een zacht licht opdoemt. Langzaam komt het licht dichterbij. Twee koplampen lijken het te zijn. Een vrachtwagen komt langzaam op het dorp afrijden. Bij de ingang van het dorp komt de vrachtwagen tot stilstand, vlak naast het bankje. De deur gaat open en een persoon met een lange zwarte jas stapt uit.
‘Hé, kan ik u helpen? Bent u verdwaald?’ roept de schrijver zonder van de bank omhoog te komen.
De persoon met de lange jas stapt op de schrijver af. Een oude man met een dikke bruingrijze baard.
‘Dat kan ik beter aan jou vragen, meneer de schrijver.’
‘Wat? Wie bent u? Hoe weet u wie ik ben? Waar komt u vandaan?’
‘Je stelt teveel vragen jongen. Stap in!’
‘Ik ben toch niet gek. Ik stap niet zomaar bij een oude gek in zijn vrachtwagen.’
‘Jij bent hier de enige oude gek. Stop eens met denken man.’
‘Nou, fuck it. Ik heb toch niks beters te doen. Ik hoop maar dat het warm is in die cabine van je.’
‘Vergeet je je bier niet. Ik lust er ook wel eentje.’
De schrijver stapt twijfelachtig, of is het onverschillig, de cabine in. Gelukkig is het warm binnen. Nog voor de schrijver de deur dicht heeft kunnen doen gaat de vrachtwagen in zijn achteruit en draait om terug dezelfde weg op.
‘Waar gaan we heen?’
‘Terug naar waar we vandaan kwamen.’
‘Is dit een fucking grap of zo. Kun je niet een beetje duidelijker zijn ouwe gek.’
‘Het is beter als je even rustig doet. Al je vragen zal je vanzelf kunnen beantwoorden. Geef me nu maar gewoon een pilsje en hou verder je mond dicht.’
Zelf neemt hij er ook nog maar een. Hij besluit om dan maar zijn mond te houden en een beetje rond te kijken. ‘Hij ziet er dan misschien uit als ouwe gek, echt gevaarlijk schat ik hem niet.’ denkt de schrijver. De alcohol, de warmte, en het langzame deinen van de vrachtwagen maakt slaperig. ‘Ik moet wakker blijven. Zien waar we heen gaan.’ is het laatste wat hij denkt voor hij in een onrustige slaap zakt. Hij droomt over zijn zoveelste succesvolle verhaal. Al succesvol voor het überhaupt af is. Hij ziet het kindje op het kleed in de grote woonkamer spelen. ‘Wanneer is papa klaar met werken?’ vraag hij aan zijn moeder.
‘Papa is nog even bezig jongen. Maak maar een mooi legokasteel om aan hem te laten zien.’
‘Maar ik wil dat papa komt meespelen.’
‘Papa komt zo lieverd.’
‘Maar… Papa is nooit klaar met werken. Papa is nooit klaar met werken! PAPA IS NOOIT KLAAR MET WERKEN.’ schreeuwt het kind naar zijn moeder. Au, mijn schouder.
‘Hé! Hé schrijver! Wordt wakker man!’
‘Jezus man. Waarom sla je tegen mijn schouder!’
‘Tegen wie zat je te schreeuwen joh. Droomde je over de ouwe?’ lacht de chauffeur.
‘Doet er niet toe man. Het doet er toch niet meer toe.’

Buiten de vrachtwagen wordt het al lichter. Aan de horizon is het begin van een opkomende zon te zien. De chauffeur mindert snelheid en stopt bij een kleine benzinepomp. Het lijkt de enige plek van beschaving te zijn in de verre omtrek.
‘Ik ga even ontbijtje scoren. Jij kan ook vast wel wat gebruiken.’
‘Lekker. En een sterke bak koffie zou ook erg welkom zijn.’
Het is lang geleden dat de schrijver de zon heeft zien opkomen. Niet zelden staat hij pas op als de zon hoog aan de hemel staat. Dromerig staart de schrijver rond en laat zijn blik over het uitgestrekte kale landschap glijden. In de verte vliegt een vogel. Van rechts naar links. Maar er is iets vreemds. De zwarte vogel lijkt achteruit te vliegen. De deur van de cabine gaat open en de chauffeur stapt in met een papieren zak en een karton met twee bekers koffie. ‘Wil je het even aanpakken?’ De schrijver pakt de koffie aan en kijkt terug naar buiten. De vogel is nergens meer te bekennen. ‘Je gelooft het nooit. Maar ik zag zojuist een vogel achteruit vliegen.’
‘Haha, lag je nog te slapen zeker. Drink wat koffie.’
Langzaam rijden ze terug de weg op. De pompbediende zwaait hen na. ‘Wat is dit? Kun je me niet één ding uitleggen?’
‘Haha, nou vooruit. Eén ding dan. Die vogel. Die achteruit vloog.’
‘Ja? Wat is daarmee? Hoe kan dat?’
‘We gaan toch terug naar waar we vandaan komen?’
‘Wat? Ik snap er niks van? Doe niet zo cryptisch.’
‘Denk eens na man. Jij bent toch zo’n fantastische schrijver. Met zoveel fantasie.’
‘…’
‘Bedoel je dat we achteruit gaan? Terug de tijd in?’
‘Hmm, zoiets ja.’
‘Maar… dat kan toch niet? Dat bestaat niet! Dit is een grap.’
‘Eén vraag heb ik nu beantwoord. De rest komt later. Denk er maar niet te veel over na.’

De zon staat ondertussen al hoger aan de hemel als de vrachtwagen een dorpje binnen rijd. Een voor de schrijver erg bekend dorpje. De vrachtwagen is onderweg naar het ouderlijk huis van de schrijver. Het huis waar de schrijver is opgegroeid. In het dorp waar de schrijver naar school is geweest en vrienden heeft gemaakt. Het is de plek waar de schrijver heeft leren schrijven. De plek waar het grootste deel van alle inspiratie voor zijn boeken vandaan komt. De plek waar hij altijd met veel plezier aan terugdacht.
‘Waarom zijn we hier? Waarom breng je me hier naartoe? Ik wil hier helemaal niet zijn. Ik ben hier niet meer geweest sinds… sinds…’
‘Sinds je je moeder voor het laatst heb gezien?’
‘Ja. Maar dat is ruim negen, tien jaar geleden. Alles ziet er hetzelfde uit als toen. De straten. De huizen. Hé dat is de speeltuin waar ik vroeger altijd speelde. En daarnaast het gangetje waar we stiekem vuurwerk afstaken. En daar! Daar woonde mijn eerste vriendinnetje. En daar… dat is mijn huis… Dat is mijn huis. Er is niks veranderd.’
‘Stap maar uit jongen. Ga maar kijken.’
De deur van het huis gaat open. Zijn moeder staat in de deuropening in een donkerblauwe jurk met gekleurde bloemen erop, en zoals altijd met een keukenschort voor. Altijd was, of is, ze in de keuken bezig. Als de kinderen thuiskwamen uit school rook het hele huis altijd heerlijk naar warme koekjes of vers gebakken appeltaart.
‘Mag ik?’
‘Ga maar jongen. Over een paar dagen ben ik weer hier. Ik zal toeteren als ik er ben.’
De schrijver stapt uit en loopt naar het huis. Aan de straatkant blijft hij stilstaan. Hij kijkt rond, knijpt zijn ogen dicht en weer open. Ze staat er nog steeds.
‘Wat sta je daar te staan jongen. Kom je moeder een knuffel geven.’
De schrijver loopt naar zijn moeder die hem een stevige knuffel geeft. De geur van verse appeltaart komt door de deuropening naar buiten.
‘Mam? Ben jij echt?’
‘Wat is dat voor gekke vraag jongen. Ik ben net zo echt als jij. Ik ben blij dat je eindelijk weer eens op bezoek komt bij je moeder. Het werd hoog tijd.’
Ze loopt hem voor naar binnen. Hij kijkt nog een keer om naar buiten. De vrachtwagen is nergens meer te bekennen. Alles in de straat ziet er zo ongelooflijk echt uit en precies zoals vroeger.

Binnen is alles nog net als toen. Hij gaat op de bank zitten, waarna zijn moeder aankomt met een dienblad met koffie, koekjes en warme appeltaart.
‘Nou, vertel eens jongen. Hoe gaat het met je? Hoe gaat het thuis, en met Lisa en de kinderen?’
‘Mam, ik heb het verpest. Lisa is bij me weggegaan, samen met de kinderen. En ik deed er niks aan. Ik liet ze gewoon weggaan. Misschien was ik zelfs blij omdat ik dan tenminste weer ongestoord kon schrijven.’
‘Ach jonge toch. Dat moet je niet zeggen. Jij moet gewoon even uitrusten. Je verzint vast wel iets.’
‘Ik ben bang dat ik het voorgoed heb verpest mam. Ik ben geen goede man en vader geweest. Ik kan mezelf zelfs geen schrijver meer noemen.’
‘Niks is voorgoed jongen. Geloof je moeder maar. Alles komt goed.’
‘Mam, ik heb ontzettende hoofdpijn. En ik heb een heel vreemde nacht gehad mam. Je zult het niet geloven, maar ik zag een vogel achteruit vliegen.’
‘Jij hebt altijd al de grootste fantasie gehad. Ik weet nog wel dat je ooit thuiskwam van school en vertelde dat de school een ruimteschip was. De directeur was stiekem een alien en de kapitein van het schip. Och en je vertelde dat zo overtuigend. Geen detail sloeg je over.’
‘Maar mam. Het is echt waar. Ik zag die vogel…’
‘Weet ik jongen. Ik geloof je toch. Je slaapkamer heb ik nooit veranderd. Ik heb toch ruimte genoeg hier in huis. Daar mag je wel weer slapen. Je ziet er vermoeid uit.’

Als de schrijver wakker wordt is het nog steeds licht. Of alweer. ‘Wow, wat een gekke droom was dat zeg. Ik heb honger.’ Hij komt overeind en kijkt rond, in wat zijn oude slaapkamer is. Aan de muren hangen posters, van Hemingway, Oscar Wilde en Einstein. Zijn favoriete schrijvers en favoriete wetenschapper. Einstein had zo’n grote fantasie dat hij zelfs de toekomst kon voorspellen. Hij staat op en loopt in de kleren waarin hij gisteravond in slaap was gevallen de trap af. Een heerlijke koffielucht komt hem tegemoet.
‘Dag lieverd. Je ziet er stukken beter uit dan gisteren. Ik heb koffie voor je gezet en ontbijt gemaakt. Pannenkoekjes, eieren, brood. Kijk maar waar je zin in hebt. Ik ga even bij Ria langs, ze heeft vorige week haar been gebroken. Nu kan ze helemaal niks meer. Alleen maar in bed liggen en op de bank zitten met haar gipsen been op een poef. Nou ja.. Ik zie je vanmiddag jongen.’
Hij geniet van het grote ontbijt. Hij eet alsof hij drie dagen niet behoorlijk heeft gegeten. Eigenlijk eet hij helemaal niet meer behoorlijk sinds Lisa weg is. Oh wat kon zij lekker koken. Hele avonden konden ze aan tafel zitten. Genieten van het eten, van goede wijn, van elkaars verhalen en van elkaar. Hij ruimt af en doet de afwas. Na de afwas loopt hij gedachteloos door het huis, door kamers vol herinneringen. Hij gaat de trap op. En nog een trap, naar de zolder. Op de oude zolder met stof van vroeger. Hij kijkt rond, opent dozen, bladert gedachteloos door fotoalbums. Achter stapels dozen en zakken met knuffels staat een bekende kist. Hij schrikt. Staart er verbluft naar. Hij laat een doos uit zijn handen vallen. Het geluid van een brekend kopje. Op zijn knieën kruipt hij voorzichtig naar de kist, alsof het verdwijnt of wegvliegt als hij te snel beweegt. Met trillende handen en tranen in zijn ogen tilt hij voorzichtig het deksel van de kist. Door zijn betraande ogen ziet hij zijn typemachine staan. De typemachine die hij van zijn ouders kreeg op zijn twaalfde verjaardag. Op deze typemachine had hij zijn eerste schrijfwedstrijd op de middelbare school gewonnen. Op deze typemachine heeft hij honderden uren getypt. Hij typte tot de blaren op zijn vingers stonden. Op deze typemachine vond hij de magie van het schrijven. Toen hij uit huis ging om te gaan studeren in de stad liet hij de typemachine thuis achter, vervangen voor een lichte laptop. Zijn ouders kwamen eens op visite met de kist in hun kofferbak. Vier uur hadden ze gereden om die typemachine te komen brengen.
‘Ik hoef dat oude ding niet meer.’ en stuurde zijn ouders verslagen terug naar huis.
In een andere doos vindt hij een stapeltje papier voor in de typemachine. Voorzichtig schuift hij een vel tussen de rollen. Tik. Tik, tik, tik. De letters worden op het papier gedrukt. Alsof de tijd nooit voorbij is gegaan typt hij op zijn typemachine.
‘Dag 1.’ verschijnt bovenaan het blad. Enter. Over zijn moeder, zijn vrienden van vroeger, die hem altijd motiveerden om te schrijven en om al zijn verhalen te vertellen. Zijn vader, die hem meetrok naar elke bibliotheek. ‘Wil je een goede schrijver worden, dan moet je een nog betere lezer zijn. Leer van de besten jongen.’
Een traan valt op de toetsen. Vroeger schreef ik verhalen die ik daarna vertelde aan mijn vrienden.

‘… op de eerste date had Lisa niet zoveel interesse. Maar daarna bleef ik haar bestoken met handgeschreven liefdesverhalen. Ik schreef over onze toekomst samen: lange strandwandelingen met zonsondergangen, lange Italiaanse diners met onze favoriete wijnen, winterwandelingen door Parijs. De eerste brieven werden niet beantwoord. Na de tiende brief stuurde haar moeder een reactie dat ik ermee moest ophouden. Maar de aanhouder wint, en na de zoveelste brief kreeg ik eindelijk een brief van Lisa terug. Ze reageerde niet omdat ze dacht dat ik haar voor de gek zat te houden met al die overdreven cliché romantiek. Ik kon haar er gelukkig van overtuigen dat zij de enige was naar wie ik zulke brieven stuurde. Fuck, hoe heb ik haar ooit kunnen laten gaan. De liefde van mijn leven. Hoe heb ik me zo kunnen laten leiden door mensen die juist veel verder weg staan.’
Dagenlang zit de schrijver op zijn typemachine te tikken. En tussen het schrijven door praat hij met zijn moeder of lopen ze door het dorp, herinneringen ophalend, om die daarna weer op te schrijven. Eindelijk voelt hij weer wat hij schrijft. Eindelijk schrijft hij weer wat hij voelt. Net zoals vroeger, toen hij schreef omdat hij het zo ongelooflijk leuk vond. Toen hij hele dagen op het grasveld lag te dagdromen. Bij elke voorbijdrijvende wolk een nieuw verhaal verzonnen. Over ruimteschepen, luchtkastelen, draken, vliegende paarden en gorilla’s.
‘Het eerste wat ik doe als ik weer thuis ben, als ik ooit weer thuis kom, is mijn laptop de deur uitgooien. Ik ga weer schrijven omdat ik het leuk vind. Of nee, dat is het tweede dat ik ga doen. Het eerste wat ik ga doen is Lisa en de kinderen opzoeken.’

Met mama aan de ontbijttafel. We drinken koffie en eten verse appeltaart. We vertellen verhalen en praten zoals we in geen jaren meer hebben gedaan. We praten over van alles en nog wat als ik een zwaar gebrom hoor. En daarna een lange harde toeter.
‘Och jongen toch, moet je nu al weer weg. Beloof je dat je me snel weer eens komt opzoeken. En kom dan samen met Lisa en de kinderen.’
‘Dag mam. Bedankt voor alles.’
We geven elkaar een knuffel waarbij ik hoop dat die nooit eindigt.
‘Hé ik heb niet de hele dag de tijd!’ Roept de chauffeur vanuit zijn cabine.
‘Dag mam.’
Ik stap de cabine in. Ik schrik als ik mama niet meer in de deuropening zie staan, maar ze komt terug aanrennen met een papieren zak en een thermoskan. Ze geeft het aan de chauffeur.
‘Voor onderweg. Koffie, broodjes en nog wat meer lekkers. Dag lieve jongens van me.’
Ze zwaait ons na tot we voorbij het einde van het dorp zijn. De zon is alweer bezig met zakken. Het valt me nu pas op dat de zon ondergaat waar hij de afgelopen week opkwam.
‘Laat me raden. We zijn nu onderweg terug naar waar we begonnen zijn?’
‘Bijna goed jongen. We zijn onderweg naar waar we naartoe gaan.’