Dit verhaal is voor alle mensen (en niet-mensen) die willen weten wat er precies allemaal is gebeurd met de roze fiets. Oh man, als die fiets kon praten…
Het begon allemaal op een warme maandagochtend. In de stad Mytilini was ik aan het zoeken naar een goede mountainbike. Celine had me uitgenodigd om twee dagen met haar mee te gaan op haar roadtrip. Voor Celine zou de roadtrip een week duren. Misschien maar goed dat het voor mij niet zo lang duurde. Maar ik had dus een goede bergfiets nodig. Mijn eerste voorkeur had geen fietsen te huur voor deze dagen. Mijn tweede optie was gesloten. Mijn derde optie…
Celine was al lang aan het wachten op me, enthousiast om te gaan. Zij besloot om de roadtrip op de all-famous roze fiets te beginnen. Waar ik koos, of mocht kiezen, voor de betere optie van een kleine groene mountainbike. ‘Als jij op die begint, dan kan ik daarop verder fietsen wanneer jij terug fietst op de roze fiets.’ Was Celine’s compromis. Ik ging akkoord en was al blij zat dat ik op de groene mountainbike mocht beginnen, welke helemaal niet zo’n slechte fiets was. ‘Daar kan ik best wel een paar dagen op fietsen.’ dacht ik. De uitdagingen van morgen zijn voor morgen.
Ik volgde Celine op een schitterende schilderachtige route langs de Egeïsche zee. Heuvelachtige wegen vergezeld door duizenden duizendjaar-oude olijfbomen, tientallen vijgenbomen, schapen, geiten, stranden, en distels. De aanwezigheid van die distels trok pas later onze aandacht.
Een prachtige omgeving, prachtige uitzichten, mooi weer – perfecte temperatuur: niet te warm, niet te koud – goede wegen (vooral heuvelafwaarts). Heuvelop waren de wegen van vergelijkbare kwaliteit, met als enige verschil: het ging omhoog. We namen vele pauzes op de toppen van de vele heuvels, waar over het algemeen de uitzichten ook beter zijn. En ik wachtte, omdat ik vaak sneller fietste dan Celine. Maar ja, betere fiets hè. Heuvelaf gingen we in een vergelijkbaar tempo. Op de top van een van die heuvels kwam ik meer te weten over de Griekse bermflora. Ik wachtte in de berm om veiligheidsredenen, ik onderzocht mijn banden – want dat is wat professionele fietsers doen – op steentjes en naalden. En in mijn voorband vond ik een heel grote naald. Ik kan nog steeds geen goede reden bedenken waarom die kleine schattige plantjes zulke grote heel-scherpe naalden nodig hebben. Als een gevonden geheime schat showde ik het trots aan Celine, die minder onder de indruk leek dan ik. Ik trok de naald eruit, en pssss… shit. Gelukkig ging Celine’s denkproces sneller dan die van mij, pakte ze de naald van de grond, en duwde hem terug in hetzelfde gat. De band was gefixt en er zat nog wel genoeg lucht in om mee te fietsen. In ieder geval in een rechte lijn. In de bochten zou ik wel voorzichtig moeten zijn. Problemen van morgen zijn voor morgen.
De volgende uitdaging was voor Celine. Hoewel, de uitdaging begon voor Celine, maar natuurlijk was het voor ons samen om mee te dealen. Celine begon geïrriteerd te raken door het kleine smalle racefiets zadel op de kleine roze fiets. Het zadel was te smal om comfortabel te zijn. Stel je maar een heel klein zadel tussen je benen voor. Nou, je snapt het idee. Elke korte pauze of wanneer Celine op gehoorafstand was, irriteerde ze mij met de smalle-zadelklachten. Dat is wat ik bedoel met samen met het probleem dealen.
Op een gegeven moment fietsten we heuvelaf langs een klein pittoresk strandje in een kleine baai. Zonder discussie gooide we onze fietsen tegen het hek en beloonden onszelf met een heerlijke duik en een lange rustpauze. ‘We moeten echt even uitrusten voordat we een goede vervolgplanning kunnen maken. We zijn te moe om gestructureerd te denken.’
Het restaurant bij het strandje was helaas dicht, maar de strandstoelen stonden er nog wel om gebruik van te maken, en de douche deed het ook nog. Wat een luxe. Op een Grieks gezin na was er verder niemand op dit strandje. Achteraf waren we dat Griekse gezin erg dankbaar, want de dochter gaf ons de tip van een heel goed restaurant in een inlands gelegen bergdorpje. ‘Het enige restaurant in de nabije omtrek die in deze tijd van het jaar nog open is.’ Zelfs de enige horecagelegenheid die open was. We vroegen haar voor overnachtingstips, want na onze verfrissende duik hadden we namelijk nog steeds geen of eigenlijk nog minder zin, om veel verder te gaan fietsen. De behulpzame dochter belde wat rond, naar haar oom met een b&b en nog wat andere hotels, maar helaas voor ons was alles gesloten. ‘Nou Celine, je wilde toch een avontuurlijke roadtrip? Heb je ooit op een strand geslapen?’ was een avontuurlijk idee dat me te binnen schoot.
‘Ja, wel ooit. Dat is wel gaaf, onder de sterrenhemel. Maar dat was in een tent met kampeerspullen, kampvuur en alles erop en eraan. We hebben niks bij ons, behalve de kleren die we aanhebben en zwemspullen.’
‘Ach, hoe erg kan het zijn. Hier kunnen we uit de wind liggen. Onder een grote handdoek. Maar bovenal, onder de prachtige sterrenhemel! Wakker worden met een zonsopkomst over Turkije en de Egeïsche zee. We kunnen een ochtendduik nemen. En straks gaan we gewoon heerlijk ergens eten. Dan nemen we een grote fles ouzo mee en daarmee komen wij wel warm de nacht door hoor.’
‘En zo koud zal het niet worden. Het gaat echt niet vriezen, dus doodgaan zullen we niet. Ik denk dat ik het wel overleef hoor… Gaaf! Doen we!’
We waren helemaal trots en enthousiast van ons geweldige plan. Na nog even in de warme zon gechild te hebben gingen we op de fiets de berg op, op zoek naar dat ene restaurantje. Onderweg stond er een lieve doch best hongerige ezel te vragen om wat aandacht en vooral wat eten. ‘Morgen wat eten voor hem meenemen.’ was Celine’s diervriendelijke plan. Ik maakte me vooral druk om de distels en naalden die ik in de berm zag liggen, waar we onbewust doorheen reden om voor die ezel te stoppen. Aan welke kant van het hek staat nu de ezel? Nou ja… zorgen voor morgen. Zolang we maar boven bij dat restaurant komen. Ik heb honger!
Dat nabije restaurant in dat kleine bergdorpje lag een stuk hoger op de berg dan we dachten. Of de berg was gewoon een stuk hoger dan we dachten. ‘Ik kan echt niet meer. Klote zadel! Klote berg!’ hoorde ik veelvuldig achter mij. We waren inderdaad al best weer een stuk aan het fietsen en er was nergens iets van een dorp te bekennen, of iets wat de aanwezigheid van een dorp aangaf. Ik stopte om een foto te maken van een groep wilde paarden in de prachtige avondzon, met een prachtige omgeving en achtergrond. Celine stopte naast me en besloot resoluut ‘ik ga echt niet meer fietsen. Ik ga liften!’ Duidelijk dat hier geen discussie meer mogelijk is, en zo staan we met onze duimpjes omhoog te wachten op een jeep of iets dergelijks dat ons de berg op kan vervoeren. Sneller dan verwacht komt er een alleraardigste Griek in een jeep aanrijden. Wel bergaf, maar het is het proberen waard. ‘Natuurlijk kan ik jullie wel even naar het dorp brengen. Gooi jullie fietsen maar in de laadbak.’ Celine was bijrijder, waar ik met de fietsen achterin de jeep ging liggen. Het schattige bergdorpje was uiteindelijk minder ver dan het leek, maar elke kilometer die we niet meer hoefden te fietsen was een cadeautje.

En daar was eindelijk dat restaurantje. We moesten wel even bevestigd krijgen dat het echt een restaurant was, want een klein terras met wat versleten stoelen en twee oude rokende Grieken geeft niet direct de indruk van een restaurant. Een alternatief was er niet, dus hoopvol namen we plaats op een krakend plastic stoeltje. En die hoop werd goed vervuld. De eigenaar begon direct te lopen. Drank kwam op tafel en bestellingen werden opgenomen. Hij sprak geen Engels, wij geen Grieks, dus geen idee wat we hadden besteld. Maar tot nog toe hadden we beiden op Lesbos nog niks echt slechts gegeten, op een slappe zoute pizza bij een Griekse Italiaan na, dus het zal vast wel goedkomen. Later schoof er nog een Griekse/Duitse familie en de familie van de eigenaar aan op het terras. Een Duits familielid kon ons toen uitleggen wat we precies aan het eten waren. En hij kon ons helpen om nog meer eten en drank te bestellen. We hadden het nodig. De eigenaar kwam met een grote bak met die ochtend vers gevangen vis aanzetten. We konden kiezen wat we wilden. Hij had ook inktvis aan de muur te drogen hangen. Geen idee wat voor vis we precies hadden uitgekozen, maar het was ongelooflijk lekker. Later bleek dat dit restaurant vooral heel bekend is door zijn uitstekende kreeft met spaghetti. Dus mocht je in de buurt zijn: Kreeft met spaghetti!
Ze begonnen met opruimen, maar wij hadden eigenlijk nog niet zo veel zin om weg te gaan. Het begon ondertussen een beetje koud te worden. Maar op een gegeven moment moesten we toch echt gaan. We rekenden af. De dochter van de eigenaar, ze sprak Engels, vroeg geïnteresseerd wat we aan het doen waren. ‘Een beetje rond het eiland fietsen.’ ‘En waar overnachten jullie dan?’ ‘Uh…’ hoe kan ik hier antwoord op geven. Een beetje beschaamd gaf ik toe dat we van plan waren om op het strand te gaan slapen.
‘Wat! Dat is hartstikke gevaarlijk. Het wordt veel te koud ‘s nachts. Hebben jullie een tent bij je?’
‘Nee, niks eigenlijk. Het was een beetje een spontane ingeving.’
‘Jullie zijn gek. Weet je wat. Ga zitten, dan bel ik even rond om te vragen of je ergens kunt slapen.’
Toch best wel opgelucht gaan we zitten, terwijl de dochter wat kennissen belt en de rest van de familie ons overduidelijk aan het uitlachen is.
‘Het zit zo. Alle hotels in de buurt zijn helaas gesloten. De dichtstbijzijnde is 20km verderop. Bij ons thuis is het te klein om te blijven slapen. Maar ik heb wel één ander gek idee. Ik kan jullie dekens en een kussen geven en dan kunnen jullie hier tegenover in het bushokje slapen.’ Bij het woord ‘deken’ was ik al verkocht. En het bushokje zag er ook niet geheel onaantrekkelijk uit. Dus ja, we waren enthousiast. Lachen! Ze hielp ons mee met karton op de grond leggen en de deken op de grond uitspreiden. Celine mocht kiezen en besloot, in mijn voordeel, om op de grond te gaan liggen. Ik schoof twee houten bankjes tegen elkaar aan en legde daar mijn warme deken op. Onze gastvrouw kwam nog flesjes water en een doosje met heerlijke Nutella flensjes brengen. Een relatief goede nachtrust gehad; het was heerlijk rustig, op een paar katten en muggen na, het was warm en de houten bankjes lagen ook niet slecht. Voor Celine was de nacht helaas minder comfortabel. De vloer was ongelooflijk hard en de katten waren blijkbaar niet gewend aan iemand die daar midden op de stoep lag. Celine’s nachtrust werd zo nu en dan dus verstoord door een kat op haar gezicht.
Volgende dag.
Heerlijk wakker worden in de frisse Griekse berglucht. En met de bevestiging dat we in een bushokje liggen. Er komen steeds meer kinderen aanlopen die zich recht voor onze slaapplek verzamelen, om dus te wachten op de bus. Ze staren naar ons alsof ze nog nooit iemand in een bushokje hebben zien slapen.
Back to reality. De fietsen. De ezel. De ezels. Twee fietsen, één lekke band, één semi-lekke band.
‘Goed zat om naar beneden te rollen joh. Gaan we eerst ff lekker zwemmen en zien we daarna wel verder.’
‘Zolang jij die roze fiets maar pakt. Ik ben dat zadel helemaal zat.’ reageert Celine.
Och, er is toch niks lekkerder dan een heerlijk frisse ochtendduik in de kalme zee.
‘Oké, we zijn wakker. De fietsen.’
‘Even bij dat huis iemand zoeken die misschien een goede fietspomp voor ons heeft.’ stelt Celine voor.
Na een uur aankloten hebben we eindelijk wat lucht in de banden gekregen. ‘Ik geef jullie twee kilometer voordat die banden weer lek zijn.’ zegt die oude Griek tegen ons. Als ik het goed inschat is het ongeveer twee kilometer die berg op. En we kunnen best naar beneden rollen met een slappe band. Ventieldopje erop geschroefd en zo snel mogelijk de weg op. Hoe langer we wachten hoe meer lucht we kwijt raken. Bovenop de heuvel die voelt als een berg moeten we toch weer even uitrusten. Best vermoeiend om met een slappe band een steile berg op te fietsen. Er staat een klein Mariakapel langs de weg. ‘Misschien dat die ons beter kan helpen.’
Mijn duimpje heb ik al omhoog, maar de behulpzame Griek is vandaag schaarser. Dan maar naar beneden rollen met de duim omhoog. Met stilstaan komen we ook niet verder. So far so good. En die kleine roze fiets doet het ook best wel goed… zolang we naar beneden gaan, en zolang we niet te veel hoeven te sturen. Maar ja, natuur laat ons zien dat elke weg die naar beneden gaat ergens toch weer omhoog gaat. En daar stopt het functioneren van die fiets. We lopen met de fietsen aan de hand en onze duimpjes omhoog. Jeeps en vrachtwagens rijden langs. En dan stopt de wagen, die uiteindelijk het volst beladen is. Een bedrijfswagen vol met dozen met kolen. Maar hij wilt ons graag helpen. Met duwen en proppen krijgen we de fietsen in de laadbak. Zo, dat is gelukt. En nu wij nog. Zijn cabine staat vol gereedschap. ‘Naast kolenhandelaar ben ik ook elektricien.’ legt hij uit bij het zien van onze verbaasde blikken. Het wordt een beetje proppen. Celine kruipt tussen de stoelen op de handrem. Maar we hebben een lift! Onderweg nog even wat lossen bij een klein restaurantje aan zee. Daarna zet hij ons af bij de benzinepomp in het volgende stadje. De monteur/eigenaar/fietsenmaker van de benzinepomp wordt gebeld en deze wilt graag onze lekke banden plakken. Terwijl de beste man aan de gang gaat, gaan wij in het stadje koffie drinken. Terug bij de benzinepomp blijken drie banden te zijn geplakt. Ha, die derde was ons nog geen eens opgevallen. ‘Alle drie vol met scherpe naalden. Je moet echt niet te dicht tegen de kant van de weg fietsen.’ worden we onderwezen.
Vol goede moed fietsen we verder. Celine op de fijne groene mountainbike en ik op de kleine roze (kinder)mountainbike. Bergaf is het best goed fietsen eigenlijk. Alleen bergop is het vrij oncomfortabel met mijn knieën in mijn nek. Staand, met de fiets in een hoge versnelling krijg ik de bergen wel bedwongen. Helaas gaat de hoge belasting op het kleine kinderfietsje toch zijn tol eisen. Nu gaat de roze fiets mij irriteren door continu van versnelling te wisselen. Het wordt erger en erger tot het gewoon niet meer mogelijk is om verder te fietsen. Alle tandwielen zitten los en hangen scheef. Weer lopen dus… tot aan de volgende benzinepomp. Kijken of die ons kan helpen.
Hij is helaas geen monteur of wil dat niet zijn die dag, maar ik mag gelukkig wel van zijn kleine werkplaats gebruik maken. Fiets op zijn kop. Gereedschap zoeken en het wiel loshalen om te kijken wat nou precies het probleem is. Bij het loshalen van het wiel valt er een dozijn kleine kogeltjes uit, rond stuiterend over de gladde garagevloer.
‘Nou, dat lager functioneert niet meer.’ is mijn conclusie.
‘Weten we in ieder geval wat het probleem is.’
Na een hoop kloten en interessant lopen doen met een moersleutel en een bus wd40 – na drie dagen zat het smeer nog in de groeven van mijn handen en onder mijn nagels – begin ik toch wat chagrijnig te worden. Ik wil die tandwielen vastzetten en dan maar hopen dat ik er tot het volgende dorp mee kan komen. Morgen zal ik die fiets dan wel met de bus mee terug nemen. Een lager heb ik niet bij de hand, dus dan maar proberen om de tandwielen en het wiel te fixeren. Na wat rondneuzen vinden we een stel grote ringen die perfect om de wielmoer passen en strak tegen het tandwiel gezet kunnen worden. Twee ringen ertegenaan, een bak wd40 ertussen, en zie daar: een net glijzadel. Goh, ik zou wel ingenieur kunnen worden.
Vol goede moed fietsen we weer vrolijk verder. Het voelt best goed. Hoewel een beetje zwaar doet het glijzadel zijn werk. Ik kan er goed mee fietsen… voor een kilometer. Het achterwiel staat schuin tegen mijn frame. Ik kon het wiel niet volledig strak vastzetten, omdat het wiel dan dus vast staat en het glijzadel niet zou werken. Maar ja, een los wiel is ook niet goed. Nu begin ik me toch wel te ergeren aan die fiets. Ik ga rekenen. Wat is die klote fiets waard? Wat is het mij waard? Wat kost het om het terug te brengen? Ik besluit. Bij een klein industrieterrein hang ik die fiets aan zijn kettingslot aan het hek. Als het aan mij had gelegen had ik die fiets zo van de berg af gegooid, maar Celine is het daar niet mee eens. Ook niet met het achterlaten van die fiets trouwens. Dit lijkt mij een goed compromis.
Celine fietst verder naar het volgende dorp, waar we overnachten. Ik loop de laatste zes kilometer, wat ook positief is voor mijn gemoedstoestand. Prachtig dorp; staat omschreven als het meest pittoreske dorpje van Lesbos. Tegen de berg opgebouwd met vooral lavasteen als bouwmateriaal, en overal kleine straatjes.
De volgende dag.
De wekker gaat. Ik val direct weer in slaap.
Ik word wakker. ‘Hm, shit… over tien minuten vertrekt mijn bus. En die kan ik echt niet missen, want ik heb een meeting om 12. Nou ja, dan maar geen koffie.’
Ik trek mijn kleren van de waslijn en poets snel mijn tanden. ‘Doei Celine! Was gezellig. Moeten we vaker doen.’
Schattig al die kleine straatjes, maar je verdwaalt er wel veel te makkelijk. Toch op tijd bij de bushalte. En alsnog die mooie zonsopkomst over de bergen van Turkije en de Egeïsche zee.